Psalmen 36
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Voor muziekbegeleiding. Van David, den dienaar van Jahweh. De zonde fluistert den boze haar inblazingen toe. In het diepst van zijn hart; Geen vreze Gods Staat hem voor ogen.
1Přednímu z kantorů, služebníka Hospodinova Davida.
2Want ze heeft hem met blindheid geslagen, Zodat hij zijn misdaad kent noch haat.
2Převrácenost bezbožníka pojišťuje u vnitřnosti srdce mého, že není žádné bázně Boží před očima jeho.
3Het woord van zijn mond Is leugen en bedrog. Hij weigert, zich verstandig en goed te gedragen;
3Nebo mu ona pochlebuje před očima jeho, aby vykonal nepravost svou až do zošklivení.
4Zelfs op zijn sponde bedenkt hij nog slechtheid. Het verkeerde pad gaat hij op, En wendt zich niet af van het kwaad.
4Slova úst jeho jsou nepravá a lstivá, přestal srozumívati, aby dobře činil.
5Maar uw goedheid, o Jahweh, reikt tot de hemel, En tot aan de wolken uw trouw;
5Nepravost smýšlí i na ložci svém, ustavuje se na cestě nedobré, zlého se nevaruje.
6Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Als de onmetelijke oceaan uw gericht. Mensen en dieren helpt Gij, o Jahweh;
6Hospodine, až do nebes milosrdenství tvé, pravda tvá až do nejvyšších oblaků.
7Hoe heerlijk is uw genade, o God! Daarom zoeken de kinderen der mensen Hun toevlucht in de schaduw uwer vleugelen;
7Spravedlnost tvá jako nejvyšší hory, soudové tvoji jako hlubokost nesmírná; lidi i hovada sám zachováváš, Hospodine.
8Zij verzadigen zich met het vet van uw woning, Gij laaft ze aan uw stroom van geneugten.
8Jak převelmi drahé jest milosrdenství tvé, Bože, a protož synové lidští v stínu křídel tvých doufají.
9Want bij U is de bron van het leven, In ùw licht aanschouwen wij licht.
9Tučností domu tvého rozvlažováni bývají, a potokem rozkoší svých napájíš je.
10Blijf uw goedertierenheid tonen aan hen, die U vrezen, Uw gerechtigheid aan de oprechten van hart;
10Nebo u tebe jest studnice života, a v světle tvém světlo vidíme.
11Laat geen trotse voet mij vertrappen, Geen goddeloze vuisten mij slaan.
11Rozprostři milosrdenství své na ty, kteříž tebe znají, a spravedlnost tvou na upřímé srdcem.
12Maar waar de zondaars vallen, Laat ze daar liggen, en nimmermeer opstaan.
12Nechažť nedotírá na mne noha pyšných, a ruka bezbožníků ať mne nezavozuje.
no verse 13 in this text
13Tam, kdež padají činitelé nepravosti, poraženi bývají, a nemohou povstati.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.