Psalmen 36
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Voor muziekbegeleiding. Van David, den dienaar van Jahweh. De zonde fluistert den boze haar inblazingen toe. In het diepst van zijn hart; Geen vreze Gods Staat hem voor ogen.
1Au chef des chantres. Du serviteur de l’Éternel, de David.
2Want ze heeft hem met blindheid geslagen, Zodat hij zijn misdaad kent noch haat.
2La parole impie du méchant est au fond de son cœur; La crainte de Dieu n’est pas devant ses yeux.
3Het woord van zijn mond Is leugen en bedrog. Hij weigert, zich verstandig en goed te gedragen;
3Car il se flatte à ses propres yeux, Pour consommer son iniquité, Pour assouvir sa haine.
4Zelfs op zijn sponde bedenkt hij nog slechtheid. Het verkeerde pad gaat hij op, En wendt zich niet af van het kwaad.
4Les paroles de sa bouche sont fausses et trompeuses; Il renonce à agir avec sagesse, à faire le bien.
5Maar uw goedheid, o Jahweh, reikt tot de hemel, En tot aan de wolken uw trouw;
5Il médite l’injustice sur sa couche, Il se tient sur une voie qui n’est pas bonne, Il ne repousse pas le mal.
6Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Als de onmetelijke oceaan uw gericht. Mensen en dieren helpt Gij, o Jahweh;
6Éternel! Ta bonté atteint jusqu’aux cieux, Ta fidélité jusqu’aux nues.
7Hoe heerlijk is uw genade, o God! Daarom zoeken de kinderen der mensen Hun toevlucht in de schaduw uwer vleugelen;
7Ta justice est comme les montagnes de Dieu, Tes jugements sont comme le grand abîme. Éternel! Tu soutiens les hommes et les bêtes.
8Zij verzadigen zich met het vet van uw woning, Gij laaft ze aan uw stroom van geneugten.
8Combien est précieuse ta bonté, ô Dieu! A l’ombre de tes ailes les fils de l’homme cherchent un refuge.
9Want bij U is de bron van het leven, In ùw licht aanschouwen wij licht.
9Ils se rassasient de l’abondance de ta maison, Et tu les abreuves au torrent de tes délices.
10Blijf uw goedertierenheid tonen aan hen, die U vrezen, Uw gerechtigheid aan de oprechten van hart;
10Car auprès de toi est la source de la vie; Par ta lumière nous voyons la lumière.
11Laat geen trotse voet mij vertrappen, Geen goddeloze vuisten mij slaan.
11Étends ta bonté sur ceux qui te connaissent, Et ta justice sur ceux dont le cœur est droit!
12Maar waar de zondaars vallen, Laat ze daar liggen, en nimmermeer opstaan.
12Que le pied de l’orgueil ne m’atteigne pas, Et que la main des méchants ne me fasse pas fuir!
no verse 13 in this text
13Déjà tombent ceux qui commettent l’iniquité; Ils sont renversés, et ils ne peuvent se relever.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.