Psalmen
Chapter 7
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Een klaaglied van David, dat hij Jahweh toezong naar aanleiding van Koesj, den Benjamiet. Jahweh, mijn God, tot U neem ik mijn toevlucht; Help mij, en verlos mij van al mijn vervolgers,
1Complainte de David. Chantée à l’Éternel, au sujet de Cusch, Benjamite.
2Opdat ze mij niet als leeuwen verscheuren, En wegslepen, reddeloos verloren.
2Éternel, mon Dieu! Je cherche en toi mon refuge; Sauve-moi de tous mes persécuteurs, et délivre-moi,
3Jahweh, mijn God, als ik dat zelf heb gedaan, Als er onrecht kleeft aan mijn handen,
3Afin qu’ils ne me déchirent pas, comme un lion Qui dévore sans que personne vienne au secours.
4Als ik kwaad heb vergolden hem, die het mij aandeed, Heb uitgeplunderd, die mij zonder reden bestreed:
4Éternel, mon Dieu! Si j’ai fait cela, S’il y a de l’iniquité dans mes mains,
5Laat dan de vijand mij achtervolgen, Totdat hij me grijpt; Mijn leven op de grond vertrappen, Mijn eer vergooien in het slijk.
5Si j’ai rendu le mal à celui qui était paisible envers moi, Si j’ai dépouillé celui qui m’opprimait sans cause,
6Maar nu, o Jahweh, sta op in uw toorn, Verhef U tegen mijn grimmigen vijand; Waak op tot het oordeel, dat Gij zelf hebt gewild,
6Que l’ennemi me poursuive et m’atteigne, Qu’il foule à terre ma vie, Et qu’il couche ma gloire dans la poussière! — Pause.
7Laat de scharen der volken U omringen! Span de vierschaar over haar in den hoge,
7Lève-toi, ô Éternel! Dans ta colère, Lève-toi contre la fureur de mes adversaires, Réveille-toi pour me secourir, ordonne un jugement!
8Als rechter der volken, o Jahweh; Doe mij recht, Jahweh, naar mijn gerechtigheid En naar de onschuld mijns harten.
8Que l’assemblée des peuples t’environne! Monte au-dessus d’elle vers les lieux élevés!
9Maak een einde aan de boosheid der zondaars, Maar laat de rechtvaardige blijven bestaan! Gij zijt het, die harten en nieren doorgrondt, Rechtvaardige God!
9L’Éternel juge les peuples: Rends-moi justice, ô Éternel! Selon mon droit et selon mon innocence!
10Het is God, die mijn schild draagt, Die redt de oprechten van hart;
10Mets un terme à la malice des méchants, Et affermis le juste, Toi qui sondes les cœurs et les reins, Dieu juste!
11Maar ook een rechtvaardig rechter is God, Een God, wiens gramschap voortdurend blijft dreigen.
11Mon bouclier est en Dieu, Qui sauve ceux dont le cœur est droit.
12Bekeert men zich niet, dan scherpt Hij zijn zwaard, Dan spant en richt Hij zijn boog,
12Dieu est un juste juge, Dieu s’irrite en tout temps.
13Houdt moordende wapens gereed, Maakt zijn pijlen als brandende schichten.
13Si le méchant ne se convertit pas, il aiguise son glaive, Il bande son arc, et il vise;
14Ziet, die met valsheid bevrucht is en zwanger van onheil, Baart enkel ontgoocheling;
14Il dirige sur lui des traits meurtriers, Il rend ses flèches brûlantes.
15Die een put graaft en uitdiept, Valt in de kuil, die hij delft.
15Voici, le méchant prépare le mal, Il conçoit l’iniquité, et il enfante le néant.
16Zo keert zijn onrecht op zijn eigen hoofd terug, Valt op eigen schedel zijn misdaad!
16Il ouvre une fosse, il la creuse, Et il tombe dans la fosse qu’il a faite.
17Dan zal ik Jahweh om zijn gerechtigheid prijzen, De naam van Jahweh, den Allerhoogste, bezingen!
17Son iniquité retombe sur sa tête, Et sa violence redescend sur son front.
no verse 18 in this text
18Je louerai l’Éternel à cause de sa justice, Je chanterai le nom de l’Éternel, du Très-Haut.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.