Psalmen 91
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Wie onder de hoede van den Allerhoogste verblijft, En in de schaduw van den Almachtige woont,
1Celui qui demeure sous l’abri du Très-Haut Repose à l’ombre du Tout-Puissant.
2Mag zeggen tot Jahweh: “Mijn toevlucht en sterkte, Mijn God, op wien ik vertrouw!”
2Je dis à l’Éternel: Mon refuge et ma forteresse, Mon Dieu en qui je me confie!
3Want Hij behoedt u voor de strik van den jager, En voor de verraderlijke kuil;
3Car c’est lui qui te délivre du filet de l’oiseleur, De la peste et de ses ravages.
4Hij zal met zijn vleugelen u dekken, En onder zijn wieken vindt gij een schuilplaats.
4Il te couvrira de ses plumes, Et tu trouveras un refuge sous ses ailes; Sa fidélité est un bouclier et une cuirasse.
5Gij hebt de verschrikkingen van de nacht niet te vrezen, Geen pijl, die vliegt overdag;
5Tu ne craindras ni les terreurs de la nuit, Ni la flèche qui vole de jour,
6Geen pest, die in de duisternis rondsluipt, Geen besmetting, die ‘s middags haar verwoestingen aanricht.
6Ni la peste qui marche dans les ténèbres, Ni la contagion qui frappe en plein midi.
7Al vallen er duizend aan uw zijde, Tienduizend aan uw rechterhand, U treffen ze niet; Zijn trouw is een schild en een pantser!
7Que mille tombent à ton côté, Et dix mille à ta droite, Tu ne seras pas atteint;
8Ja, met eigen ogen zult gij het zien, En de vergelding der bozen aanschouwen;
8De tes yeux seulement tu regarderas, Et tu verras la rétribution des méchants.
9Want úw toevlucht is Jahweh, Den Allerhoogste hebt gij u tot beschermer gekozen.
9Car tu es mon refuge, ô Éternel! Tu fais du Très-Haut ta retraite.
10Geen onheil zal u dus treffen, Geen plaag uw tenten bereiken;
10Aucun malheur ne t’arrivera, Aucun fléau n’approchera de ta tente.
11Want Hij zal voor u zijn engelen ontbieden, Om u op al uw wegen te hoeden.
11Car il ordonnera à ses anges De te garder dans toutes tes voies;
12Zij zullen u op de handen dragen, Opdat gij aan geen steen uw voeten zult stoten;
12Ils te porteront sur les mains, De peur que ton pied ne heurte contre une pierre.
13Op slang en adder zult gij treden, Leeuwenwelp en draak vertrappen.
13Tu marcheras sur le lion et sur l’aspic, Tu fouleras le lionceau et le dragon.
14“Omdat hij Mij liefheeft, zal Ik hem redden, En omdat hij mijn Naam kent, hem beschermen; Roept hij Mij aan, Dan antwoord Ik hem.”
14Puisqu’il m’aime, je le délivrerai; Je le protégerai, puisqu’il connaît mon nom.
15Ik zelf sta hem bij in de nood; Ik red hem en herstel hem in ere:
15Il m’invoquera, et je lui répondrai; Je serai avec lui dans la détresse, Je le délivrerai et je le glorifierai.
16Lengte van dagen zal Ik hem schenken, En hem mijn heil doen aanschouwen!
16Je le rassasierai de longs jours, Et je lui ferai voir mon salut.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.