Psalmen 91
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Wie onder de hoede van den Allerhoogste verblijft, En in de schaduw van den Almachtige woont,
1Ψαλμὸς ᾠδῆς, εἰς τὴν ἡμέραν τοῦ σαββάτου.
2Mag zeggen tot Jahweh: “Mijn toevlucht en sterkte, Mijn God, op wien ik vertrouw!”
2ΑΓΑΘΟΝ τὸ ἐξομολογεῖσθαι τῷ Κυρίῳ καὶ ψάλλειν τῷ ὀνόματί σου, ¨Υψιστε,
3Want Hij behoedt u voor de strik van den jager, En voor de verraderlijke kuil;
3τοῦ ἀναγγέλλειν τῷ πρωΐ τὸ ἔλεός σου καὶ τὴν ἀλήθειάν σου κατὰ νύκτα
4Hij zal met zijn vleugelen u dekken, En onder zijn wieken vindt gij een schuilplaats.
4ἐν δεκαχόρδῳ ψαλτηρίῳ μετ᾿ ᾠδῆς ἐν κιθάρᾳ.
5Gij hebt de verschrikkingen van de nacht niet te vrezen, Geen pijl, die vliegt overdag;
5ὅτι εὔφρανάς με, Κύριε, ἐν τοῖς ποιήμασί σου, καὶ ἐν τοῖς ἔργοις τῶν χειρῶν σου ἀγαλλιάσομαι.
6Geen pest, die in de duisternis rondsluipt, Geen besmetting, die ‘s middags haar verwoestingen aanricht.
6ὡς ἐμεγαλύνθη τὰ ἔργα σου Κύριε· σφόδρα ἐβαθύνθησαν οἱ διαλογισμοί σου.
7Al vallen er duizend aan uw zijde, Tienduizend aan uw rechterhand, U treffen ze niet; Zijn trouw is een schild en een pantser!
7ἀνὴρ ἄφρων οὐ γνώσεται, καὶ ἀσύνετος οὐ συνήσει ταῦτα.
8Ja, met eigen ogen zult gij het zien, En de vergelding der bozen aanschouwen;
8ἐν τῷ ἀνατεῖλαι ἁμαρτωλοὺς ὡσεὶ χόρτον καὶ διέκυψαν πάντες οἱ ἐργαζόμενοι τὴν ἀνομίαν, ὅπως ἂν ἐξολοθρευθῶσιν εἰς τὸν αἰῶνα τοῦ αἰῶνος.
9Want úw toevlucht is Jahweh, Den Allerhoogste hebt gij u tot beschermer gekozen.
9σὺ δὲ ¨Υψιστος εἰς τὸν αἰῶνα, Κύριε·
10Geen onheil zal u dus treffen, Geen plaag uw tenten bereiken;
10ὅτι ἰδοὺ οἱ ἐχθροί σου, Κύριε, ἰδοὺ οἱ ἐχθροί σου ἀπολοῦνται, καὶ διασκορπισθήσονται πάντες οἱ ἐργαζόμενοι τὴν ἀνομίαν,
11Want Hij zal voor u zijn engelen ontbieden, Om u op al uw wegen te hoeden.
11καὶ ὑψωθήσεται ὡς μονοκέρωτος τὸ κέρας μου καὶ τὸ γῆράς μου ἐν ἐλαίῳ πίονι·
12Zij zullen u op de handen dragen, Opdat gij aan geen steen uw voeten zult stoten;
12καὶ ἐπεῖδεν ὁ ὀφθαλμός μου ἐν τοῖς ἐχθροῖς μου, καὶ ἐν τοῖς ἐπανισταμένοις ἐπ᾿ ἐμὲ πονηρευομένοις ἀκούσατε τὸ οὖς μου.
13Op slang en adder zult gij treden, Leeuwenwelp en draak vertrappen.
13δίκαιος ὡς φοῖνιξ ἀνθήσει, ὡσεὶ ἡ κέδρος ἡ ἐν τῷ Λιβάνῳ πληθυνθήσεται.
14“Omdat hij Mij liefheeft, zal Ik hem redden, En omdat hij mijn Naam kent, hem beschermen; Roept hij Mij aan, Dan antwoord Ik hem.”
14πεφυτευμένοι ἐν τῷ οἴκῳ Κυρίου, ἐν ταῖς αὐλαῖς τοῦ Θεοῦ ἡμῶν ἐξανθήσουσιν·
15Ik zelf sta hem bij in de nood; Ik red hem en herstel hem in ere:
15ἔτι πληθυνθήσονται ἐν γήρει πίονι καὶ εὐπαθοῦντες ἔσονται τοῦ ἀναγγεῖλαι
16Lengte van dagen zal Ik hem schenken, En hem mijn heil doen aanschouwen!
16ὅτι εὐθὴς Κύριος ὁ Θεὸς ἡμῶν καὶ οὐκ ἔστιν ἀδικία ἐν αὐτῷ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.