Psalmen 37
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Van David. Wees niet afgunstig op zondaars, En benijd de boosdoeners niet;
1Ψαλμὸς τῷ Δαυΐδ· εἰς ἀνάμνησιν περὶ τοῦ σαββάτου.
2Want snel versmachten zij als gras, Verkwijnen als het groen gewas.
2ΚΥΡΙΕ, μὴ τῷ θυμῷ σου ἐλέγξῃς με, μηδὲ τῇ ὀργῇ σου παιδεύσῃς με.
3Vertrouw op Jahweh, doe enkel wat goed is, Blijf in het land en wees trouw;
3ὅτι τὰ βέλη σου ἐνεπάγησάν μοι, καὶ ἐπεστήριξας ἐπ᾿ ἐμὲ τὴν χεῖρά σου·
4Dan zult gij uw vreugde in Jahweh vinden, En Hij schenkt u wat uw hart maar begeert.
4οὐκ ἔστιν ἴασις ἐν τῇ σαρκί μου ἀπὸ προσώπου τῆς ὀργῆς σου, οὐκ ἔστιν εἰρήνη ἐν τοῖς ὀστέοις μου ἀπὸ προσώπου τῶν ἁμαρτιῶν μου.
5Laat Jahweh uw weg maar bestieren, Verlaat u op Hem: Hij zal hem banen;
5ὅτι αἱ ἀνομίαι μου ὑπερῇραν τὴν κεφαλήν μου, ὡσεὶ φορτίον βαρὺ ἐβαρύνθησαν ἐπ᾿ ἐμέ.
6Als de dageraad doet Hij uw gerechtigheid stralen, En als de middagzon uw recht.
6προσώζεσαν καὶ ἐσάπησαν οἱ μώλωπές μου ἀπὸ προσώπου τῆς ἀφροσύνης μου·
7Berust in Jahweh, En blijf op Hem hopen. Benijd niet den man, wien het goed gaat, Ofschoon hij bedriegt.
7ἐταλαιπώρησα καὶ κατεκάμφθην ἕως τέλους, ὅλην τὴν ἡμέραν σκυθρωπάζων ἐπορευόμην.
8Word niet toornig en maak u niet boos, Wind u niet op: gij maakt het maar erger;
8ὅτι αἱ ψόαι μου ἐπλήσθησαν ἐμπαιγμάτων, καὶ οὐκ ἔστιν ἴασις ἐν τῇ σαρκί μου·
9Want de zondaars worden vernietigd, Maar die op Jahweh vertrouwen, bezitten het Land!
9ἐκακώθην καὶ ἐταπεινώθην ἕως σφόδρα, ὠρυόμην ἀπὸ στεναγμοῦ τῆς καρδίας μου.
10Een ogenblik maar: en de zondaar is er niet meer; Gij zoekt naar zijn plaats: hij is weg.
10Κύριε, ἐναντίον σου πᾶσα ἡ ἐπιθυμία μου, καὶ ὁ στεναγμός μου ἀπὸ σοῦ οὐκ ἀπεκρύβη.
11Maar de rechtschapenen bezitten het Land, En genieten een heerlijke vrede.
11ἡ καρδία μου ἐταράχθη, ἐγκατέλιπέ με ἡ ἰσχύς μου, καὶ τὸ φῶς τῶν ὀφθαλμῶν μου, καὶ αὐτὸ οὐκ ἔστι μετ᾿ ἐμοῦ.
12De zondaar belaagt den rechtvaardige, En knarst tegen hem op zijn tanden;
12οἱ φίλοι μου καὶ οἱ πλησίον μου ἐξ ἐναντίας μου ἤγγισαν καὶ ἔστησαν, καὶ οἱ ἔγγιστά μου ἀπὸ μακρόθεν ἔστησαν·
13Maar de Heer lacht hem uit, Want Hij ziet zijn Dag al nabij.
13καὶ ἐξεβιάζοντο οἱ ζητοῦντες τὴν ψυχήν μου, καὶ οἱ ζητοῦντες τὰ κακά μοι ἐλάλησαν ματαιότητας, καὶ δολιότητας ὅλην τὴν ἡμέραν ἐμελέτησαν.
14De bozen trekken hun zwaard en spannen hun boog, Om ongelukkigen en armen te doden, en vromen te slachten;
14ἐγὼ δὲ ὡσεὶ κωφὸς οὐκ ἤκουον καὶ ὡσεὶ ἄλαλος οὐκ ἀνοίγων τὸ στόμα αὐτοῦ·
15Maar het zwaard dringt in hun eigen hart, En hun bogen worden gebroken.
15καὶ ἐγενόμην ὡσεὶ ἄνθρωπος οὐκ ἀκούων καὶ οὐκ ἔχων ἐν τῷ στόματι αὐτοῦ ἐλεγμούς.
16Beter het weinige, dat de rechtvaardige heeft, Dan de geweldige rijkdom der bozen;
16ὅτι ἐπὶ σοί, Κύριε, ἤλπισα· σὺ εἰκακούσῃ, Κύριε ὁ Θεός μου.
17Want de arm der bozen wordt gebroken, Maar voor de rechtvaardigen is Jahweh een stut.
17ὅτι εἶπα· μήποτε ἐπιχαρῶσί μοι οἱ ἐχθροί μου· καὶ ἐν τῷ σαλευθῆναι πόδας μου ἐπ᾿ ἐμὲ ἐμεγαλορρημόνησαν.
18Jahweh zorgt voor de dagen der vromen, En hun erfdeel blijft eeuwig bijeen;
18ὅτι ἐγὼ εἰς μάστιγας ἕτοιμος, καὶ ἡ ἀλγηδών μου ἐνώπιόν μού ἐστι διαπαντός.
19Ze staan niet verlegen in tijden van rampspoed, Maar worden verzadigd bij hongersnood.
19ὅτι τὴν ἀνομίαν μου ἐγὼ ἀναγγελῶ καὶ μεριμνήσω ὑπὲρ τῆς ἁμαρτίας μου.
20Maar de goddelozen gaan zeker te gronde, En hun kinderen bedelen om brood; Jahweh’s vijanden vergaan als de glorie der velden, En verdwijnen als rook.
20οἱ δὲ ἐχθροί μου ζῶσι καὶ κεκραταίωνται ὑπὲρ ἐμέ, καὶ ἐπληθύνθησαν οἱ μισοῦντές με ἀδίκως·
21De boze moet lenen, en kan niet betalen, De gerechte kan mild zijn en geven;
21οἱ ἀνταποδιδόντες μοι κακὰ ἀντὶ ἀγαθῶν ἐνδιέβαλλόν με, ἐπεὶ κατεδίωκον ἀγαθωσύνην.
22Want wien Hij zegent, bezit het Land, Maar wien Hij vervloekt, wordt vernietigd.
22μὴ ἐγκαταλίπῃς με, Κύριε· ὁ Θεός μου, μὴ ἀποστῇς ἀπ᾿ ἐμοῦ·
23Jahweh leidt de schreden der mensen, Hij richt overeind, wiens gedrag Hem behaagt;
23πρόσχες εἰς τὴν βοήθειάν μου, Κύριε τῆς σωτηρίας μου.
24En mocht hij al wankelen, toch zal hij niet vallen, Want Jahweh houdt hem bij de hand.
no verse 24 in this text
25Ik was jong, en nu ben ik oud: Maar nooit heb ik een vrome verlaten gezien;
no verse 25 in this text
26Steeds kan hij nog mild zijn en aan anderen lenen, Zijn nageslacht tot zegen zijn.
no verse 26 in this text
27Houd u ver van het kwaad, en doe enkel wat goed is, Dan woont gij veilig voor eeuwig;
no verse 27 in this text
28Want Jahweh heeft de gerechtigheid lief, En nimmer verlaat Hij zijn vromen. De bozen worden voor eeuwig vernietigd, En het geslacht van de zondaars vergaat;
no verse 28 in this text
29Maar de rechtvaardigen bezitten het Land, En blijven er altijd in wonen.
no verse 29 in this text
30De mond van den rechtvaardige verkondigt de wijsheid, En zijn tong spreekt wat recht is.
no verse 30 in this text
31Hij draagt de Wet van zijn God in zijn hart; Nooit wankelen zijn schreden.
no verse 31 in this text
32De boze loert op den vrome, En zoekt hem te doden;
no verse 32 in this text
33Maar Jahweh laat hem niet in zijn macht, En duldt geen veroordeling, als men hem richt.
no verse 33 in this text
34Blijf op Jahweh vertrouwen, En bewandel zijn wegen; Dan stelt Hij u in het bezit van het Land, En zult gij de verdelging der zondaars aanschouwen.
no verse 34 in this text
35Ik heb een zondaar gezien in zijn vermetele trots, Hoog als een Libanon-ceder;
no verse 35 in this text
36Ik ging voorbij: zie, hij was er niet meer; Ik zocht hem, hij was niet te vinden.
no verse 36 in this text
37Geef acht op den vrome en let op den brave: Het kroost van dien man leeft in vrede;
no verse 37 in this text
38Maar de zondaars gaan allen te gronde, De kinderen der bozen worden vernietigd.
no verse 38 in this text
39Jahweh is het heil van de vromen, Hun toevlucht in tijden van nood;
no verse 39 in this text
40Jahweh helpt en beschermt hen tegen de bozen, Hij redt hen, als ze vluchten tot Hem!
no verse 40 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.