Psalmen 130
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Een bedevaartslied. Uit de diepten, o Jahweh, roep ik tot U,
1ᾨδὴ τῶν ἀναβαθμῶν. ΚΥΡΙΕ, οὐχ ὑψώθη ἡ καρδία μου, οὐδὲ ἐμετεωρίσθησαν οἱ ὀφθαλμοί μου, οὐδὲ ἐπορεύθην ἐν μεγάλοις, οὐδὲ ἐν θαυμασίοις ὑπὲρ ἐμέ.
2Heer, hoor mijn klagen; Laat uw oren toch luisteren Naar mijn bidden en smeken!
2εἰ μὴ ἐταπεινοφρόνουν, ἀλλὰ ὕψωσα τὴν ψυχήν μου ὡς τὸ ἀπογεγαλακτισμένον ἐπὶ τὴν μητέρα αὐτοῦ, ὡς ἀνταποδώσεις ἐπὶ τὴν ψυχήν μου.
3Ach Jahweh, zo Gij de zonde gedenkt, Ach Heer, wie zou het bestaan?
3ἐλπισάτω Ἰσραὴλ ἐπὶ τὸν Κύριον, ἀπὸ τοῦ νῦν καὶ ἕως τοῦ αἰῶνος.
4Neen, bij U is vergeving, Opdat ik vol hoop U zou vrezen, o Jahweh.
no verse 4 in this text
5Mijn ziel schouwt hunkerend naar zijn belofte, Mijn ziel smacht naar den Heer;
no verse 5 in this text
6Meer dan wachters naar de morgen,
no verse 6 in this text
7Ziet Israël naar Jahweh uit. Want bij Jahweh is ontferming, En overvloed van verlossing;
no verse 7 in this text
8Hij zal Israël bevrijden Van al zijn zonden!
no verse 8 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.