Psalmen
Chapter 78
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Een leerdicht van Asaf. Luister naar mijn onderrichting, mijn volk, Geef acht op de woorden van mijn mond;
1Ψαλμὸς τῷ Ἀσάφ. Ο ΘΕΟΣ, ἤλθοσαν ἔθνη εἰς τὴν κληρονομίαν σου, ἐμίαναν τὸν ναὸν τὸν ἅγιόν σου, ἔθεντο Ἱερουσαλὴμ ὡς ὀπωροφυλάκιον.
2Ik ga mijn mond voor een leerdicht openen, Diepzinnige lessen uit oude tijden verkonden!
2ἔθεντο τὰ θνησιμαῖα τῶν δούλων σου βρώματα τοῖς πετεινοῖς τοῦ οὐρανοῦ, τὰς σάρκας τῶν ὁσίων σου τοῖς θηρίοις τῆς γῆς·
3Wat wij hebben gehoord en vernomen, En onze vaders ons hebben verteld,
3ἐξέχεαν τὸ αἷμα αὐτῶν ὡσεὶ ὕδωρ κύκλῳ Ἱερουσαλήμ, καὶ οὐκ ἦν ὁ θάπτων.
4Dat willen wij niet voor hun kinderen verbergen, Maar het verhalen aan een volgend geslacht: Jahweh’s heerlijke daden en macht, En de wonderen, die Hij deed.
4ἐγενήθημεν ὄνειδος τοῖς γείτοσιν ἡμῶν, μυκτηρισμὸς καὶ χλευασμὸς τοῖς κύκλῳ ἡμῶν.
5Hij gaf zijn geboden aan Jakob, Schonk aan Israël een wet; Hij beval onze vaderen, ze hun kinderen te leren,
5ἕως πότε, Κύριε, ὀργισθήσῃ εἰς τέλος, ἐκκαυθήσεται ὡς πῦρ ὁ ζῆλός σου;
6Opdat een volgend geslacht ze zou kennen, En de kinderen, die hun werden geboren, Ze weer aan hun kinderen zouden vertellen.
6ἔκχεον τὴν ὀργήν σου ἐπὶ τὰ ἔθνη τὰ μὴ γινώσκοντά σε καὶ ἐπὶ βασιλείας, αἳ τὸ ὄνομά σου οὐκ ἐπεκαλέσαντο,
7Zij moesten vertrouwen stellen in God, Niet vergeten Gods werken, zijn geboden onderhouden;
7ὅτι κατέφαγον τὸν Ἰακώβ, καὶ τὸν τόπον αὐτοῦ ἠρήμωσαν.
8Niet worden als hun vaderen, Een lichtzinnig en opstandig geslacht: Een geslacht, onstandvastig van hart, En trouweloos van geest jegens God.
8μὴ μνησθῇς ἡμῶν ἀνομιῶν ἀρχαίων· ταχὺ προκαταλαβέτωσαν ἡμᾶς οἱ οἰκτιρμοί σου, Κύριε, ὅτι ἐπτωχεύσαμεν σφόδρα.
9Maar Efraïms zonen waren ontrouw als schutters, Die terugtreden op de dag van de strijd.
9βοήθησον ἡμῖν, ὁ Θεός, ὁ σωτὴρ ἡμῶν· ἕνεκεν τῆς δόξης τοῦ ὀνόματός σου, Κύριε, ρῦσαι ἡμᾶς καὶ ἱλάσθητι ταῖς ἁμαρτίαις ἡμῶν ἕνεκα τοῦ ὀνόματός σου,
10Ze deden het verbond met God niet gestand, En weigerden, zijn wet te beleven.
10μή ποτε εἴπωσι τὰ ἔθνη· ποῦ ἔστιν ὁ Θεὸς αὐτῶν; καὶ γνωσθήτω ἐν τοῖς ἔθνεσιν ἐνώπιον τῶν ὀφθαλμῶν ἡμῶν ἡ ἐκδίκησις τοῦ αἵματος τῶν δούλων σου τοῦ ἐκκεχυμένου.
11Ze vergaten zijn machtige werken, De wonderen, die Hij hun had getoond.
11εἰσελθέτω ἐνώπιόν σου ὁ στεναγμὸς τῶν πεπεδημένων, κατὰ τὴν μεγαλωσύνην τοῦ βραχίονός σου περιποίησαι τοὺς υἱοὺς τῶν τεθανατωμένων.
12Toch had Hij ook voor hun vaderen Wondertekenen gewrocht In het land van Egypte, In de vlakte van Sóan:
12ἀπόδος τοῖς γείτοσιν ἡμῶν ἑπταπλασίονα εἰς τὸν κόλπον αὐτῶν τὸν ὀνειδισμὸν αὐτῶν, ὃν ὠνείδισάν σε, Κύριε.
13Hij kliefde de zee en voerde hen er doorheen, Zette de wateren overeind als een dam.
13ἡμεῖς δὲ λαός σου καὶ πρόβατα νομῆς σου ἀνθομολογησόμεθά σοι εἰς τὸν αἰῶνα, εἰς γενεὰν καὶ γενεὰν ἐξαγγελοῦμεν τὴν αἴνεσίν σου.
14Hij leidde hen overdag door een wolk, Door een lichtend vuur heel de nacht.
no verse 14 in this text
15Hij spleet in de woestijn de rotsen vaneen, En drenkte de steppen met plassen;
no verse 15 in this text
16Uit de klippen liet Hij beken ontspringen, En er water uit vloeien bij stromen.
no verse 16 in this text
17Maar ze zondigden opnieuw tegen Hem, En tartten den Allerhoogste in de woestijn;
no verse 17 in this text
18Ze stelden God in hun hart op de proef, Door spijs voor hun leeftocht te eisen.
no verse 18 in this text
19En krenkend spraken ze over God: “Zou God een tafel in de woestijn kunnen dekken?”
no verse 19 in this text
20“Zeker, Hij heeft wel de rotsen geslagen, En de steppen met plassen gedrenkt, Zodat er water uit vloeide, En er beken uit stroomden: Maar zal Hij ook brood kunnen schenken, En vlees aan zijn volk kunnen geven?”
no verse 20 in this text
21Toen Jahweh dit hoorde, Ontstak Hij in gramschap; Er ontbrandde een vuur tegen Jakob, En tegen Israël woedde zijn toorn:
no verse 21 in this text
22Omdat ze niet in God geloofden, En niet vertrouwden op zijn hulp.
no verse 22 in this text
23Toch gaf Hij de wolken daarboven bevel, En ontsloot de poorten des hemels;
no verse 23 in this text
24Hij regende manna als spijs op hen neer, En schonk hun het hemelse koren:
no verse 24 in this text
25De mensen aten het brood der engelen, Hij zond hun voedsel tot verzadiging toe.
no verse 25 in this text
26Hij liet ook aan de hemel de oostenwind waaien, En zweepte de zuidenwind op door zijn kracht:
no verse 26 in this text
27Hij regende vlees als stof op hen neer, Gevleugelde vogels als het zand van de zee;
no verse 27 in this text
28Hij liet ze midden in hun legerplaats vallen, En rond hun tenten.
no verse 28 in this text
29Zij aten, en werden ten volle verzadigd: Hij had hun geschonken, wat ze begeerden;
no verse 29 in this text
30Maar nog was hun lust niet voldaan, en de spijs in hun mond,
no verse 30 in this text
31Of Gods gramschap barstte tegen hen los; Hij richtte een slachting aan onder hun sterksten, En velde de bloem van Israël neer.
no verse 31 in this text
32Ondanks dit alles, bleven ze in hun zonden volharden, En niet aan zijn wonderen geloven.
no verse 32 in this text
33Toen liet Hij doelloos hun dagen verlopen, En in ontgoocheling hun jaren.
no verse 33 in this text
34Ze zochten Hem enkel, wanneer Hij ze sloeg; Dan bekeerden ze zich, en vroegen naar God.
no verse 34 in this text
35Maar zelfs als ze gedachten, dat God hun Rots was, De allerhoogste God hun Verlosser,
no verse 35 in this text
36Ook dan nog vleiden ze Hem met hun mond, En belogen Hem met hun tong.
no verse 36 in this text
37Neen, hun hart was Hem toch niet verknocht, Ze bleven zijn verbond niet getrouw.
no verse 37 in this text
38Maar Hij bleef barmhartig, Vergaf hun de schuld en vernielde ze niet. Hoe dikwijls bedwong Hij zijn toorn, En liet zijn volle gramschap niet woeden:
no verse 38 in this text
39Hij dacht er aan, dat ze maar vlees zijn, Een zucht,; die vervliegt, en niet keert.
no verse 39 in this text
40Hoe dikwijls nog hebben ze in de woestijn Hem verbitterd, En Hem in de steppe gekrenkt;
no verse 40 in this text
41Hebben ze God beproefd, Israëls Heilige gegriefd?
no verse 41 in this text
42Neen, ze dachten niet terug aan de macht van zijn hand, Aan de dag, waarop Hij ze van den vijand verloste.
no verse 42 in this text
43En toch, wat voor tekenen had Hij in Egypte gedaan, En wonderen in de vlakte van Sóan!
no verse 43 in this text
44Hun stromen had Hij in bloed veranderd, En hun beken ondrinkbaar gemaakt;
no verse 44 in this text
45Gulzige muggen op hen afgezonden, En kikvorsen, om ze te gronde te richten.
no verse 45 in this text
46Hij had hun gewas aan den sprinkhaan gegeven, En aan den schrokker hun vruchten;
no verse 46 in this text
47Hun ranken door hagel vernield, Hun moerbei door ijzel;
no verse 47 in this text
48Hun vee een prooi der pest gemaakt, Hun kudde een buit der besmetting.
no verse 48 in this text
49En op henzelf had Hij zijn ziedende gramschap losgelaten, Zijn toorn, zijn woede en kwelling; Verderf-engelen op hen afgezonden, De vrije loop aan zijn gramschap gelaten:
no verse 49 in this text
50Hij had ze de dood niet laten ontsnappen, Maar hun leven prijs gegeven aan de pest.
no verse 50 in this text
51Hij had alle eerstgeborenen in Egypte geslagen, De eerstelingen der mannelijke kracht in de tenten van Cham.
no verse 51 in this text
52Maar zijn volk had Hij weggeleid als een kudde, En als schapen door de steppe gevoerd;
no verse 52 in this text
53Hij had ze veilig doen gaan, ze behoefden niemand te vrezen: Want de zee had hun vijand bedekt.
no verse 53 in this text
54Zo bracht Hij hen naar zijn heilige grond, Naar de berg, die zijn rechterhand had veroverd.
no verse 54 in this text
55Hij dreef de volkeren voor hen uit, Gaf ze bij lot als erfdeel weg; En in hun tenten liet Hij wonen. Israëls stammen.
no verse 55 in this text
56Maar ook daar beproefden en tartten ze God, En onderhielden de geboden van den Allerhoogste niet.
no verse 56 in this text
57Trouweloos vielen ze af als hun vaderen, Wispelturig als een onbetrouwbare boog;
no verse 57 in this text
58Ze tergden Hem door hun offerhoogten, En prikkelden Hem met hun beelden.
no verse 58 in this text
59God merkte het, en ziedde van gramschap, En Israël begon Hem te walgen:
no verse 59 in this text
60Hij gaf zijn woning in Sjilo prijs, De tent, waar Hij onder de mensen verkeerde;
no verse 60 in this text
61Zijn majesteit gaf Hij gevangen, Zijn glorie in de hand van den vijand.
no verse 61 in this text
62Hij wierp zijn volk ten prooi aan het zwaard, En grimde van toorn op zijn erfdeel:
no verse 62 in this text
63Zijn jonge mannen werden verteerd door het vuur, Zijn maagden kregen geen huwelijkslied;
no verse 63 in this text
64Zijn priesters vielen door het zwaard, En zijn weduwen beweenden ze niet.
no verse 64 in this text
65Maar eindelijk ontwaakte de Heer, als iemand die slaapt, En als een krijgsman, bevangen door wijn:
no verse 65 in this text
66Hij sloeg zijn vijanden achteruit, En bracht ze voor eeuwig tot schande.
no verse 66 in this text
67Toch bleef Hij de tent van Josef versmaden, En koos de stam van Efraïm niet uit!
no verse 67 in this text
68Neen, Juda’s stam koos Hij uit, Sions berg, die Hij liefhad;
no verse 68 in this text
69Hij bouwde zijn heiligdom hoog als de hemel, Vast als de aarde voor eeuwig.
no verse 69 in this text
70En Hij stelde zijn keuze In David, zijn dienaar! Hij nam hem van de schaapskooien weg,
no verse 70 in this text
71En haalde hem van de zogende schapen, Opdat hij Jakob, zijn volk, zou weiden, En Israël, zijn erfdeel.
no verse 71 in this text
72Hij heeft ze geweid, rechtschapen van hart, En met bekwame hand ze geleid!
no verse 72 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.