Psalmen 78
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Daničić–Karadžić Bible (1868), Cyrillic
1Een leerdicht van Asaf. Luister naar mijn onderrichting, mijn volk, Geef acht op de woorden van mijn mond;
1Чуј, народе мој, наук мој, пригни ухо своје к речима уста мојих.
2Ik ga mijn mond voor een leerdicht openen, Diepzinnige lessen uit oude tijden verkonden!
2Отварам за причу уста своја, казаћу старе приповетке.
3Wat wij hebben gehoord en vernomen, En onze vaders ons hebben verteld,
3Шта слушасмо и дознасмо, и што нам казиваше оци наши,
4Dat willen wij niet voor hun kinderen verbergen, Maar het verhalen aan een volgend geslacht: Jahweh’s heerlijke daden en macht, En de wonderen, die Hij deed.
4Нећемо затајити од деце њихове, нараштају позном јавићемо славу Господњу и силу Његову и чудеса која је учинио.
5Hij gaf zijn geboden aan Jakob, Schonk aan Israël een wet; Hij beval onze vaderen, ze hun kinderen te leren,
5Сведочанство подиже у Јакову, и у Израиљу постави закон, који даде оцима нашим да га предаду деци својој;
6Opdat een volgend geslacht ze zou kennen, En de kinderen, die hun werden geboren, Ze weer aan hun kinderen zouden vertellen.
6Да би знао потоњи нараштај, деца која ће се родити, па и они да би казивали својој деци.
7Zij moesten vertrouwen stellen in God, Niet vergeten Gods werken, zijn geboden onderhouden;
7Да полажу на Бога надање своје, и не заборављају дела Божијих, и заповести Његове да држе;
8Niet worden als hun vaderen, Een lichtzinnig en opstandig geslacht: Een geslacht, onstandvastig van hart, En trouweloos van geest jegens God.
8И да не буду као оци њихови, род неваљао и упоран, род који не беше чврст срцем својим, нити веран Богу духом својим.
9Maar Efraïms zonen waren ontrouw als schutters, Die terugtreden op de dag van de strijd.
9Синови Јефремови наоружани, који стрељају из лука, вратише се натраг, кад беше бој.
10Ze deden het verbond met God niet gestand, En weigerden, zijn wet te beleven.
10Не сачуваше завет Божји, и по закону Његовом не хтеше ходити.
11Ze vergaten zijn machtige werken, De wonderen, die Hij hun had getoond.
11Заборавише дела Његова, и чудеса, која им је показао,
12Toch had Hij ook voor hun vaderen Wondertekenen gewrocht In het land van Egypte, In de vlakte van Sóan:
12Како пред очима њиховим учини чудеса у земљи мисирској, на пољу Соану;
13Hij kliefde de zee en voerde hen er doorheen, Zette de wateren overeind als een dam.
13Раздвоји море, и проведе их, од воде начини зид;
14Hij leidde hen overdag door een wolk, Door een lichtend vuur heel de nacht.
14И води их дању облаком, и сву ноћ светлим огњем;
15Hij spleet in de woestijn de rotsen vaneen, En drenkte de steppen met plassen;
15Раскида стене у пустињи, и поји их као из велике бездане;
16Uit de klippen liet Hij beken ontspringen, En er water uit vloeien bij stromen.
16Изводи потоке из камена, и води воду рекама.
17Maar ze zondigden opnieuw tegen Hem, En tartten den Allerhoogste in de woestijn;
17Али они још једнако грешише Њему, и гневише Вишњег у пустињи.
18Ze stelden God in hun hart op de proef, Door spijs voor hun leeftocht te eisen.
18И кушаше Бога у срцу свом, иштући јела по вољи својој,
19En krenkend spraken ze over God: “Zou God een tafel in de woestijn kunnen dekken?”
19И викаше на Бога, и рекоше: „Може ли Бог зготовити трпезу у пустињи?”
20“Zeker, Hij heeft wel de rotsen geslagen, En de steppen met plassen gedrenkt, Zodat er water uit vloeide, En er beken uit stroomden: Maar zal Hij ook brood kunnen schenken, En vlees aan zijn volk kunnen geven?”
20Ево! Он удари у камен, и потече вода, и реке устадоше; може ли и хлеба дати? Хоће ли и меса поставити народу свом?
21Toen Jahweh dit hoorde, Ontstak Hij in gramschap; Er ontbrandde een vuur tegen Jakob, En tegen Israël woedde zijn toorn:
21Господ чу и разљути се, и огањ се разгоре на Јакова, и гнев се подиже на Израиља.
22Omdat ze niet in God geloofden, En niet vertrouwden op zijn hulp.
22Јер не вероваше Богу и не уздаше се у помоћ Његову.
23Toch gaf Hij de wolken daarboven bevel, En ontsloot de poorten des hemels;
23Тада заповеди облацима одозго, и отвори врата небеска,
24Hij regende manna als spijs op hen neer, En schonk hun het hemelse koren:
24И пусти, те им подажде мана за јело, и хлеб небески даде им.
25De mensen aten het brood der engelen, Hij zond hun voedsel tot verzadiging toe.
25Хлеб анђеоски јеђаше човек; посла им јела до ситости.
26Hij liet ook aan de hemel de oostenwind waaien, En zweepte de zuidenwind op door zijn kracht:
26Пусти небом устоку, и наведе силом својом југ;
27Hij regende vlees als stof op hen neer, Gevleugelde vogels als het zand van de zee;
27И као прахом засу их месом, и као песком морским птицама крилатим;
28Hij liet ze midden in hun legerplaats vallen, En rond hun tenten.
28Побаца их сред логора њиховог, око шатора њихових.
29Zij aten, en werden ten volle verzadigd: Hij had hun geschonken, wat ze begeerden;
29И наједоше се и даде им шта су желели.
30Maar nog was hun lust niet voldaan, en de spijs in hun mond,
30Али их још и не прође жеља, још беше јело у устима њиховим,
31Of Gods gramschap barstte tegen hen los; Hij richtte een slachting aan onder hun sterksten, En velde de bloem van Israël neer.
31Гнев се Божји подиже на њих и помори најјаче међу њима, и младиће у Израиљу поби.
32Ondanks dit alles, bleven ze in hun zonden volharden, En niet aan zijn wonderen geloven.
32Преко свега тога још грешише, и не вероваше чудесима Његовим.
33Toen liet Hij doelloos hun dagen verlopen, En in ontgoocheling hun jaren.
33И пусти, те дани њихови пролазише узалуд, и године њихове у страху.
34Ze zochten Hem enkel, wanneer Hij ze sloeg; Dan bekeerden ze zich, en vroegen naar God.
34Кад их убијаше, онда притецаху к Њему, и обраћаху се и искаху Бога;
35Maar zelfs als ze gedachten, dat God hun Rots was, De allerhoogste God hun Verlosser,
35И помињаху да је Бог одбрана њихова, и Вишњи Избавитељ њихов.
36Ook dan nog vleiden ze Hem met hun mond, En belogen Hem met hun tong.
36Ласкаху Му устима својим, и језиком својим лагаху Му.
37Neen, hun hart was Hem toch niet verknocht, Ze bleven zijn verbond niet getrouw.
37А срце њихово не беше Њему верно, и не беху тврди у завету Његовом.
38Maar Hij bleef barmhartig, Vergaf hun de schuld en vernielde ze niet. Hoe dikwijls bedwong Hij zijn toorn, En liet zijn volle gramschap niet woeden:
38Али Он беше милостив, и покриваше грех, и не помори их, често заустављаше гнев свој, и не подизаше све јарости своје.
39Hij dacht er aan, dat ze maar vlees zijn, Een zucht,; die vervliegt, en niet keert.
39Опомињаше се да су тело, ветар, који пролази и не враћа се.
40Hoe dikwijls nog hebben ze in de woestijn Hem verbitterd, En Hem in de steppe gekrenkt;
40Колико Га пута расрдише у пустињи, и увредише у земљи где се не живи!
41Hebben ze God beproefd, Israëls Heilige gegriefd?
41Све наново кушаше Бога, и Свеца Израиљевог дражише.
42Neen, ze dachten niet terug aan de macht van zijn hand, Aan de dag, waarop Hij ze van den vijand verloste.
42Не сећаше се руке Његове и дана, у који их избави из невоље,
43En toch, wat voor tekenen had Hij in Egypte gedaan, En wonderen in de vlakte van Sóan!
43У који учини у Мисиру знаке своје и чудеса своја на пољу Соану;
44Hun stromen had Hij in bloed veranderd, En hun beken ondrinkbaar gemaakt;
44И проврже у крв реке њихове и потоке њихове, да не могоше пити.
45Gulzige muggen op hen afgezonden, En kikvorsen, om ze te gronde te richten.
45Посла на њих бубине да их кољу, и жабе да их море.
46Hij had hun gewas aan den sprinkhaan gegeven, En aan den schrokker hun vruchten;
46Летину њихову даде црву, и муку њихову скакавцима.
47Hun ranken door hagel vernield, Hun moerbei door ijzel;
47Винограде њихове поби градом, и смокве њихове сланом.
48Hun vee een prooi der pest gemaakt, Hun kudde een buit der besmetting.
48Граду предаде стоку њихову, и стада њихова муњи.
49En op henzelf had Hij zijn ziedende gramschap losgelaten, Zijn toorn, zijn woede en kwelling; Verderf-engelen op hen afgezonden, De vrije loop aan zijn gramschap gelaten:
49Посла на њих огњени гнев свој, јарост, срдњу и мржњу, чету злих анђела.
50Hij had ze de dood niet laten ontsnappen, Maar hun leven prijs gegeven aan de pest.
50Равни стазу гневу свом, не чува душе њихове од смрти, и живот њихов предаде помору.
51Hij had alle eerstgeborenen in Egypte geslagen, De eerstelingen der mannelijke kracht in de tenten van Cham.
51Поби све првенце у Мисиру, први пород по колибама Хамовим.
52Maar zijn volk had Hij weggeleid als een kudde, En als schapen door de steppe gevoerd;
52И поведе народ свој као овце, и води их као стадо преко пустиње.
53Hij had ze veilig doen gaan, ze behoefden niemand te vrezen: Want de zee had hun vijand bedekt.
53Води их поуздано, и они се не бојаше, а непријатеље њихове затрпа море.
54Zo bracht Hij hen naar zijn heilige grond, Naar de berg, die zijn rechterhand had veroverd.
54И доведе их на место светиње своје, на ову гору, коју задоби десница Његова.
55Hij dreef de volkeren voor hen uit, Gaf ze bij lot als erfdeel weg; En in hun tenten liet Hij wonen. Israëls stammen.
55Одагна испред лица њиховог народе; жребом раздели њихово достојање, и по шаторима њиховим насели колена Израиљева.
56Maar ook daar beproefden en tartten ze God, En onderhielden de geboden van den Allerhoogste niet.
56Али они кушаше и срдише Бога Вишњег и уредбе Његове не сачуваше.
57Trouweloos vielen ze af als hun vaderen, Wispelturig als een onbetrouwbare boog;
57Одусташе и одвргоше се, као и оци њихови, слагаше као рђав лук.
58Ze tergden Hem door hun offerhoogten, En prikkelden Hem met hun beelden.
58Увредише Га висинама својим, и идолима својим раздражише Га.
59God merkte het, en ziedde van gramschap, En Israël begon Hem te walgen:
59Бог чу и разгневи се и расрди се на Израиља веома.
60Hij gaf zijn woning in Sjilo prijs, De tent, waar Hij onder de mensen verkeerde;
60Остави насеље своје у Силому, шатор, у коме живљаше с људима.
61Zijn majesteit gaf Hij gevangen, Zijn glorie in de hand van den vijand.
61И оправи у ропство славу своју и красоту своју у руке непријатељеве.
62Hij wierp zijn volk ten prooi aan het zwaard, En grimde van toorn op zijn erfdeel:
62И предаде мачу народ свој, и на достојање своје запламте се.
63Zijn jonge mannen werden verteerd door het vuur, Zijn maagden kregen geen huwelijkslied;
63Младиће његове једе огањ, и девојкама његовим не певаше сватовских песама;
64Zijn priesters vielen door het zwaard, En zijn weduwen beweenden ze niet.
64Свештеници његови падаше од мача, и удовице његове не плакаше.
65Maar eindelijk ontwaakte de Heer, als iemand die slaapt, En als een krijgsman, bevangen door wijn:
65Најпосле, као иза сна пробуди се Господ, прену се као јунак кад се напије вина.
66Hij sloeg zijn vijanden achteruit, En bracht ze voor eeuwig tot schande.
66И поби непријатеље своје с леђа, вечној срамоти предаде их.
67Toch bleef Hij de tent van Josef versmaden, En koos de stam van Efraïm niet uit!
67И не хте шатор Јосифов, и колено Јефремово не изабра.
68Neen, Juda’s stam koos Hij uit, Sions berg, die Hij liefhad;
68Него изабра колено Јудино, гору Сион, која Му омиле.
69Hij bouwde zijn heiligdom hoog als de hemel, Vast als de aarde voor eeuwig.
69И сагради светињу своју као горње своје станове, и као земљу утврди је довека.
70En Hij stelde zijn keuze In David, zijn dienaar! Hij nam hem van de schaapskooien weg,
70И изабра Давида, слугу свог, и узе га од торова овчијих,
71En haalde hem van de zogende schapen, Opdat hij Jakob, zijn volk, zou weiden, En Israël, zijn erfdeel.
71И од дојилица доведе га да пасе народ Његов, Јакова, и наследство Његово, Израиља.
72Hij heeft ze geweid, rechtschapen van hart, En met bekwame hand ze geleid!
72И он их пасе чистим срцем, и води их мудрим рукама.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.