Psalmen 78
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1Een leerdicht van Asaf. Luister naar mijn onderrichting, mijn volk, Geef acht op de woorden van mijn mond;
1ECUNGOG, O taotaojo, y tinagojo: na inecungog ni y talanganmo y sinangan y pachotto.
2Ik ga mijn mond voor een leerdicht openen, Diepzinnige lessen uit oude tijden verkonden!
2Bae jubaba y pachotto gui acomparasion: bae jusangan sinangan na gui jemjom gui ampmam na tiempo.
3Wat wij hebben gehoord en vernomen, En onze vaders ons hebben verteld,
3Ayosija ni y injingog yan y intingo, yan y tatanmame ni jasanganejam.
4Dat willen wij niet voor hun kinderen verbergen, Maar het verhalen aan een volgend geslacht: Jahweh’s heerlijke daden en macht, En de wonderen, die Hij deed.
4Ti innafanatog sija guinin y famaguonñija, masangangane y generasion ni y manmamamaela ni y tinina sija gui Señot, yan y minetgotña yan y mannamanman na chechoña ni y jachogüe.
5Hij gaf zijn geboden aan Jakob, Schonk aan Israël een wet; Hij beval onze vaderen, ze hun kinderen te leren,
5Sa güiya munacajulo y testimonio gui as Jacob, yan japolo tinago guiya Israel, ni y janatungo sija y famaguonñija.
6Opdat een volgend geslacht ze zou kennen, En de kinderen, die hun werden geboren, Ze weer aan hun kinderen zouden vertellen.
6Para ujatungo y generasion ni y manmamamaela, y famaguonja ni y finañagonñija; ni y ufangajulo ya ujasangane y famaguonñija.
7Zij moesten vertrouwen stellen in God, Niet vergeten Gods werken, zijn geboden onderhouden;
7Para usiña japolo y ninanggañija gui as Yuus, ya ti ufanmalefa ni y checho Yuus, lao jaadaje y tinagoña sija.
8Niet worden als hun vaderen, Een lichtzinnig en opstandig geslacht: Een geslacht, onstandvastig van hart, En trouweloos van geest jegens God.
8Ya chañija fanaegüigüije y tatañija; un generasion ni managuaguat yan ti manmalago manmanosgue: y generasion ni y ti japolo y corasonñija gui tinas, yan ayo na espirituñija y ti manfitme gui as Yuus.
9Maar Efraïms zonen waren ontrouw als schutters, Die terugtreden op de dag van de strijd.
9Y famaguon Efraim, guaja atmas yan manmañule y atcos sija, manalo tate gui jaanen y guera.
10Ze deden het verbond met God niet gestand, En weigerden, zijn wet te beleven.
10Ti jaadaje y traton Yuus, ya ti manmalago na ufanmamocat gui tinagoña.
11Ze vergaten zijn machtige werken, De wonderen, die Hij hun had getoond.
11Ya manmalefa ni y chechoña, yan y ninamanmanña ni y manfinanue sija.
12Toch had Hij ook voor hun vaderen Wondertekenen gewrocht In het land van Egypte, In de vlakte van Sóan:
12Namanman na güinaja finatinasña gui menan y tatañija, gui tano Egipto, gui fangualuan Soan.
13Hij kliefde de zee en voerde hen er doorheen, Zette de wateren overeind als een dam.
13Jadebide y tase ya janafanmalofan gui inanaco sija todo; yan janafañaga y janom taegüije y monton.
14Hij leidde hen overdag door een wolk, Door een lichtend vuur heel de nacht.
14Ya y jaane janafanenesgaegaejonja ni y mapagajes; yan todo puenge y finañila y guafe.
15Hij spleet in de woestijn de rotsen vaneen, En drenkte de steppen met plassen;
15Japanag y acho gue desierto, ya janae sija na ufanguinem taegüije na jumuyong guinin y dangculon tinadong.
16Uit de klippen liet Hij beken ontspringen, En er water uit vloeien bij stromen.
16Ya mañule minilalag locue guinin y acho, yan janafalalago y janom taegüije y sadog.
17Maar ze zondigden opnieuw tegen Hem, En tartten den Allerhoogste in de woestijn;
17Lao trabia sisigueja mas isagüegüe, ya manmanembeste contra Gueftaquilo gui desierto.
18Ze stelden God in hun hart op de proef, Door spijs voor hun leeftocht te eisen.
18Ya sija jatienta si Yuus gui corasonñija, yan mangagagao catne pot y güinaeyañija.
19En krenkend spraken ze over God: “Zou God een tafel in de woestijn kunnen dekken?”
19Magajet na sija manguentos contra si Yuus; ilegñija: Ada siña si Yuus jafamaulequejit lamasa gui desierto?
20“Zeker, Hij heeft wel de rotsen geslagen, En de steppen met plassen gedrenkt, Zodat er water uit vloeide, En er beken uit stroomden: Maar zal Hij ook brood kunnen schenken, En vlees aan zijn volk kunnen geven?”
20Sa, estagüe, na anae japanag y acho, manjuyong y janom, ya y minilalag manmachuchuda. Ada siña güe manae pan locue? umafamauleg catne para y taotaoña?
21Toen Jahweh dit hoorde, Ontstak Hij in gramschap; Er ontbrandde een vuur tegen Jakob, En tegen Israël woedde zijn toorn:
21Enao mina anae jajungog este, y Señot ninabubo: ya umasonggue y guafe contra as Jacob, yan y linalalo locue cajulo contra Israel;
22Omdat ze niet in God geloofden, En niet vertrouwden op zijn hulp.
22Sa ti jajonggue si Yuus, yan ti jaangoco sija gui satbasionña.
23Toch gaf Hij de wolken daarboven bevel, En ontsloot de poorten des hemels;
23Lao güiya tumago y mapagajes guinin y sanjilo; yan jababa y pettan langet.
24Hij regende manna als spijs op hen neer, En schonk hun het hemelse koren:
24Yan janauchan papa y mana gui jiloñija para ujacano, yan janae sija ni y maies y langet.
25De mensen aten het brood der engelen, Hij zond hun voedsel tot verzadiging toe.
25Y taotao cumano y na y manmetgot: güiya numae sija catne para ufanjaspog.
26Hij liet ook aan de hemel de oostenwind waaien, En zweepte de zuidenwind op door zijn kracht:
26Jatago y manglo sancatan na ufanguaefe gui jalom y langet: yan pot y ninasiñaña jachachalane y manglo sanjaya.
27Hij regende vlees als stof op hen neer, Gevleugelde vogels als het zand van de zee;
27Janauchan catne locue gui jiloñija taegüije y petbos; yan y pajaro ni gaepapa taegüije inae gui tase;
28Hij liet ze midden in hun legerplaats vallen, En rond hun tenten.
28Ya japolo ayo sija na ufanbasnag gui entalo y campoñija, ya gui oriyan y sagañija.
29Zij aten, en werden ten volle verzadigd: Hij had hun geschonken, wat ze begeerden;
29Ya sija jacano, ya mangosjaspog sija; sa güiya numae sija ni y tinangañiñija.
30Maar nog was hun lust niet voldaan, en de spijs in hun mond,
30Lao ti janajanao guiya sija y tinangañija; lao estabaja trabia y catneñija gui jalom y pachotñija,
31Of Gods gramschap barstte tegen hen los; Hij richtte een slachting aan onder hun sterksten, En velde de bloem van Israël neer.
31Ya y binibon Yuus mato gui jiloñija, ya japuno y mas manyomog guiya sija, yan jayute papa y patgon na taotao sija guiya Israel.
32Ondanks dit alles, bleven ze in hun zonden volharden, En niet aan zijn wonderen geloven.
32Lao contodo este, sigueja di maaiisao trabia: yan ti majonggue y mamnamanman na chochoña.
33Toen liet Hij doelloos hun dagen verlopen, En in ontgoocheling hun jaren.
33Ya pot este na y jaaneñija janafanlinachae ni y banidá; yan y sacanñija gui minaañao.
34Ze zochten Hem enkel, wanneer Hij ze sloeg; Dan bekeerden ze zich, en vroegen naar God.
34Ya anae japuno sija, ayo nae manafaesen pot güiya yan jabira sija ya maaligao guse si Yuus.
35Maar zelfs als ze gedachten, dat God hun Rots was, De allerhoogste God hun Verlosser,
35Yan jajaso na si Yuus y achoñija, yan y Gueftaquilo na Yuus y Satbadotñija.
36Ook dan nog vleiden ze Hem met hun mond, En belogen Hem met hun tong.
36Achogja ujafaande güe ni y pachotñija yan ujadague ni y jilañija.
37Neen, hun hart was Hem toch niet verknocht, Ze bleven zijn verbond niet getrouw.
37Sa y corasonñija ti tunas guiya güiya: ni ufanfitme gui tratuña.
38Maar Hij bleef barmhartig, Vergaf hun de schuld en vernielde ze niet. Hoe dikwijls bedwong Hij zijn toorn, En liet zijn volle gramschap niet woeden:
38Lao güiya, bula minaase jaasie ni y tinaelayeñija, yan ti jayuyulang sija: magajet, megae na tiempo nae jabira y linalaloña, yan ti jajatsa julo y binibuña.
39Hij dacht er aan, dat ze maar vlees zijn, Een zucht,; die vervliegt, en niet keert.
39Sa jajaso na sija catneja; y manglo na malofan ya mapos ya ti mamaela talo.
40Hoe dikwijls nog hebben ze in de woestijn Hem verbitterd, En Hem in de steppe gekrenkt;
40Cuanto biaje manmanembeste contra güiya gui jalomtano yan manatriste güe gui desierto!
41Hebben ze God beproefd, Israëls Heilige gegriefd?
41Ya manalo tate ya matienta si Yuus; ya macase y Santosgüe guiya Israel.
42Neen, ze dachten niet terug aan de macht van zijn hand, Aan de dag, waarop Hij ze van den vijand verloste.
42Ya ti jajaso y canaeña; ni jaane anae ninafanlibre gui contrario.
43En toch, wat voor tekenen had Hij in Egypte gedaan, En wonderen in de vlakte van Sóan!
43Ni y pineloña na señatña guiya Egipto: yan y ninamanmanña gui fangualuan Soan:
44Hun stromen had Hij in bloed veranderd, En hun beken ondrinkbaar gemaakt;
44Yan jatulaeca y Sadog janajâgâ; yan y minilalag para chañija fanguiguimen.
45Gulzige muggen op hen afgezonden, En kikvorsen, om ze te gronde te richten.
45Janae megae na lalo para ufanquinano; yan rana sija para ufanyinilang.
46Hij had hun gewas aan den sprinkhaan gegeven, En aan den schrokker hun vruchten;
46Janae y ilo oruga ni y aumentan tano; ya y finachochoñija y apacha.
47Hun ranken door hagel vernield, Hun moerbei door ijzel;
47Jayulang y fangualuanñija ubas ni y ichan grano; yan y trongco igos sija ni y hielo.
48Hun vee een prooi der pest gemaakt, Hun kudde een buit der besmetting.
48Japolo y gañija gâgâ locue gui papa y ichan grano, ya y manadan gañija gui minaepen lamlam.
49En op henzelf had Hij zijn ziedende gramschap losgelaten, Zijn toorn, zijn woede en kwelling; Verderf-engelen op hen afgezonden, De vrije loop aan zijn gramschap gelaten:
49Jayute gui jiloñija y fijom na binibuña; binibo, linalalo, yan chinatsaga; y manadan manaelaye na angjet sija.
50Hij had ze de dood niet laten ontsnappen, Maar hun leven prijs gegeven aan de pest.
50Mamatinas chalan para y linalaloña; ya ti jachoma y antiñija guinin y finatae, lao japolo y linâlâñija gui peste.
51Hij had alle eerstgeborenen in Egypte geslagen, De eerstelingen der mannelijke kracht in de tenten van Cham.
51Ya japuno todo y finenena na finañagon guiya Egipto, y mas magas naminetgotñija gui jalom y tiendan Cam!
52Maar zijn volk had Hij weggeleid als een kudde, En als schapen door de steppe gevoerd;
52Lao chalane juyong y taotaoña taegüije y quinilo sija, yan jaesgagaejon sija gui desierto taegüije y manadan, gâgâ.
53Hij had ze veilig doen gaan, ze behoefden niemand te vrezen: Want de zee had hun vijand bedekt.
53Ya jachule sija gui seguro, ya sija ti manmaañao: lao y tase tumampe y enimigoñija.
54Zo bracht Hij hen naar zijn heilige grond, Naar de berg, die zijn rechterhand had veroverd.
54Ya jacone sija asta y oriyan y sinantos na sagaña, güineja na ogso ni y guinanan y agapa na canaeña.
55Hij dreef de volkeren voor hen uit, Gaf ze bij lot als erfdeel weg; En in hun tenten liet Hij wonen. Israëls stammen.
55Jayute juyong y nasion locue gui menañija, yan jafacae guiya sija y erensiañija ya jaraya, ya janafañaga y tribon Israel gui jalom y tiendañija.
56Maar ook daar beproefden en tartten ze God, En onderhielden de geboden van den Allerhoogste niet.
56Lao sija trabia jatietentaja, yan manmanembebesteja contra y Gueftaquilo na Yuus, yan ti jaadaje y tinagoña.
57Trouweloos vielen ze af als hun vaderen, Wispelturig als een onbetrouwbare boog;
57Lao manalo tate, yan manmafatinas dinague taegüije y tatañija: ya manmabira sija gui un banda taegüije y dacon na atco.
58Ze tergden Hem door hun offerhoogten, En prikkelden Hem met hun beelden.
58Sa macase güe ya mannalalalo pot y sagañija ni taquilo ya masuog güe ya manafanugo ni y imageñija ni tinaga.
59God merkte het, en ziedde van gramschap, En Israël begon Hem te walgen:
59Anae jajungog este si Yuus, ninabubo, yan jagoschatlie iya Israel.
60Hij gaf zijn woning in Sjilo prijs, De tent, waar Hij onder de mensen verkeerde;
60Ya pot ayo na jadingo y tabetnaculo guiya Silo, yan y tienda ni y japolo gui entalo taotao sija.
61Zijn majesteit gaf Hij gevangen, Zijn glorie in de hand van den vijand.
61Ya janae ni y minetgotña y cautibo, ya y minalagña gui canae y contrario.
62Hij wierp zijn volk ten prooi aan het zwaard, En grimde van toorn op zijn erfdeel:
62Janae y espada ni y taotaoña: yan ninabubo ni y erensiaña.
63Zijn jonge mannen werden verteerd door het vuur, Zijn maagden kregen geen huwelijkslied;
63Linachae ni y guafe y manpatgon na lalaje; ya y manpatgon na famalaoan taya cantan umasagua.
64Zijn priesters vielen door het zwaard, En zijn weduwen beweenden ze niet.
64Ya y mamaleñija manmodong gui espada; ya y manbiuda sija ti ninafantriste.
65Maar eindelijk ontwaakte de Heer, als iemand die slaapt, En als een krijgsman, bevangen door wijn:
65Ya y Señot magmata taegüije y uno ni y guinin mamaego, yan taegüije y matatñga na taotao ni y ninaaagang pot rason di y bino.
66Hij sloeg zijn vijanden achteruit, En bracht ze voor eeuwig tot schande.
66Ya japuno y enimiguña sija ni y mañasaga gui santate: yan japolo sija güi taejinecog na minamajlao.
67Toch bleef Hij de tent van Josef versmaden, En koos de stam van Efraïm niet uit!
67Ademas jarechasa y tabetnaculo gui as José, ya ti jaayeg y tribon Efraim.
68Neen, Juda’s stam koos Hij uit, Sions berg, die Hij liefhad;
68Lao jaayeg tribon Juda, ayo ogso Sion ni y güinaeyaña.
69Hij bouwde zijn heiligdom hoog als de hemel, Vast als de aarde voor eeuwig.
69Ya jafatinas y sinantos na sagaña taegüije y manaquilo na sagayan sija, taegüije y tano na japlanta para taejinecog.
70En Hij stelde zijn keuze In David, zijn dienaar! Hij nam hem van de schaapskooien weg,
70Jaayeg si David locue na tentagoña, yan jacone güe guinin y quelat y quinilo,
71En haalde hem van de zogende schapen, Opdat hij Jakob, zijn volk, zou weiden, En Israël, zijn erfdeel.
71Chinile güe ni guinin jatatitiye y manmanago na quinilo ya jacone para unafañocho y taotaoña gui as Jacob yan y erensiaña guiya Israel.
72Hij heeft ze geweid, rechtschapen van hart, En met bekwame hand ze geleid!
72Ya taegüije janafañocho sija segun y tininas y corasonña; yan jaesgaejon sija pot y tiningon y canaeña.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.