Psalmen
Chapter 78
Petrus Canisius Bible, 1…
vs JPS Tanakh (Jewish…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Een leerdicht van Asaf. Luister naar mijn onderrichting, mijn volk, Geef acht op de woorden van mijn mond;
1Maschil of Asaph. Give ear, O my people, to my teaching; incline your ears to the words of my mouth.
2Ik ga mijn mond voor een leerdicht openen, Diepzinnige lessen uit oude tijden verkonden!
2I will open my mouth with a parable; I will utter dark sayings concerning days of old;
3Wat wij hebben gehoord en vernomen, En onze vaders ons hebben verteld,
3That which we have heard and known, and our fathers have told us,
4Dat willen wij niet voor hun kinderen verbergen, Maar het verhalen aan een volgend geslacht: Jahweh’s heerlijke daden en macht, En de wonderen, die Hij deed.
4We will not hide from their children, telling to the generation to come the praises of the LORD, and His strength, and His wondrous works that He hath done.
5Hij gaf zijn geboden aan Jakob, Schonk aan Israël een wet; Hij beval onze vaderen, ze hun kinderen te leren,
5For He established a testimony in Jacob, and appointed a law in Israel, which He commanded our fathers, that they should make them known to their children;
6Opdat een volgend geslacht ze zou kennen, En de kinderen, die hun werden geboren, Ze weer aan hun kinderen zouden vertellen.
6That the generation to come might know them, even the children that should be born; who should arise and tell them to their children,
7Zij moesten vertrouwen stellen in God, Niet vergeten Gods werken, zijn geboden onderhouden;
7That they might put their confidence in God, and not forget the works of God, but keep His commandments;
8Niet worden als hun vaderen, Een lichtzinnig en opstandig geslacht: Een geslacht, onstandvastig van hart, En trouweloos van geest jegens God.
8And might not be as their fathers, a stubborn and rebellious generation; a generation that set not their heart aright, and whose spirit was not stedfast with God.
9Maar Efraïms zonen waren ontrouw als schutters, Die terugtreden op de dag van de strijd.
9The children of Ephraim were as archers handling the bow, that turned back in the day of battle.
10Ze deden het verbond met God niet gestand, En weigerden, zijn wet te beleven.
10They kept not the covenant of God, and refused to walk in His law;
11Ze vergaten zijn machtige werken, De wonderen, die Hij hun had getoond.
11And they forgot His doings, and His wondrous works that He had shown them.
12Toch had Hij ook voor hun vaderen Wondertekenen gewrocht In het land van Egypte, In de vlakte van Sóan:
12Marvellous things did He in the sight of their fathers, in the land of Egypt, in the field of Zoan.
13Hij kliefde de zee en voerde hen er doorheen, Zette de wateren overeind als een dam.
13He cleaved the sea, and caused them to pass through; and He made the waters to stand as a heap.
14Hij leidde hen overdag door een wolk, Door een lichtend vuur heel de nacht.
14By day also He led them with a cloud, and all the night with a light of fire.
15Hij spleet in de woestijn de rotsen vaneen, En drenkte de steppen met plassen;
15He cleaved rocks in the wilderness, and gave them drink abundantly as out of the great deep.
16Uit de klippen liet Hij beken ontspringen, En er water uit vloeien bij stromen.
16He brought streams also out of the rock, and caused waters to run down like rivers.
17Maar ze zondigden opnieuw tegen Hem, En tartten den Allerhoogste in de woestijn;
17Yet went they on still to sin against Him, to rebel against the Most High in the desert.
18Ze stelden God in hun hart op de proef, Door spijs voor hun leeftocht te eisen.
18And they tried God in their heart by asking food for their craving.
19En krenkend spraken ze over God: “Zou God een tafel in de woestijn kunnen dekken?”
19Yea, they spoke against God; they said: 'Can God prepare a table in the wilderness?
20“Zeker, Hij heeft wel de rotsen geslagen, En de steppen met plassen gedrenkt, Zodat er water uit vloeide, En er beken uit stroomden: Maar zal Hij ook brood kunnen schenken, En vlees aan zijn volk kunnen geven?”
20Behold, He smote the rock, that waters gushed out, and streams overflowed; can He give bread also? or will He provide flesh for His people?'
21Toen Jahweh dit hoorde, Ontstak Hij in gramschap; Er ontbrandde een vuur tegen Jakob, En tegen Israël woedde zijn toorn:
21Therefore the LORD heard, and was wroth; and a fire was kindled against Jacob, and anger also went up against Israel;
22Omdat ze niet in God geloofden, En niet vertrouwden op zijn hulp.
22Because they believed not in God, and trusted not in His salvation.
23Toch gaf Hij de wolken daarboven bevel, En ontsloot de poorten des hemels;
23And He commanded the skies above, and opened the doors of heaven;
24Hij regende manna als spijs op hen neer, En schonk hun het hemelse koren:
24And He caused manna to rain upon them for food, and gave them of the corn of heaven.
25De mensen aten het brood der engelen, Hij zond hun voedsel tot verzadiging toe.
25Man did eat the bread of the mighty; He sent them provisions to the full.
26Hij liet ook aan de hemel de oostenwind waaien, En zweepte de zuidenwind op door zijn kracht:
26He caused the east wind to set forth in heaven; and by His power He brought on the south wind.
27Hij regende vlees als stof op hen neer, Gevleugelde vogels als het zand van de zee;
27He caused flesh also to rain upon them as the dust, and winged fowl as the sand of the seas;
28Hij liet ze midden in hun legerplaats vallen, En rond hun tenten.
28And He let it fall in the midst of their camp, round about their dwellings.
29Zij aten, en werden ten volle verzadigd: Hij had hun geschonken, wat ze begeerden;
29So they did eat, and were well filled; and He gave them that which they craved.
30Maar nog was hun lust niet voldaan, en de spijs in hun mond,
30They were not estranged from their craving, their food was yet in their mouths,
31Of Gods gramschap barstte tegen hen los; Hij richtte een slachting aan onder hun sterksten, En velde de bloem van Israël neer.
31When the anger of God went up against them, and slew of the lustieth among them, and smote down the young men of Israel.
32Ondanks dit alles, bleven ze in hun zonden volharden, En niet aan zijn wonderen geloven.
32For all this they sinned still, and believed not in His wondrous works.
33Toen liet Hij doelloos hun dagen verlopen, En in ontgoocheling hun jaren.
33Therefore He ended their days as a breath, and their years in terror.
34Ze zochten Hem enkel, wanneer Hij ze sloeg; Dan bekeerden ze zich, en vroegen naar God.
34When He slew them, then they would inquire after Him, and turn back and seek God earnestly.
35Maar zelfs als ze gedachten, dat God hun Rots was, De allerhoogste God hun Verlosser,
35And they remembered that God was their Rock, and the Most High God their redeemer.
36Ook dan nog vleiden ze Hem met hun mond, En belogen Hem met hun tong.
36But they beguiled Him with their mouth, and lied unto Him with their tongue.
37Neen, hun hart was Hem toch niet verknocht, Ze bleven zijn verbond niet getrouw.
37For their heart was not stedfast with Him, neither were they faithful in His covenant.
38Maar Hij bleef barmhartig, Vergaf hun de schuld en vernielde ze niet. Hoe dikwijls bedwong Hij zijn toorn, En liet zijn volle gramschap niet woeden:
38But He, being full of compassion, forgiveth iniquity, and destroyeth not; yea, many a time doth He turn His anger away, and doth not stir up all His wrath.
39Hij dacht er aan, dat ze maar vlees zijn, Een zucht,; die vervliegt, en niet keert.
39So He remembered that they were but flesh, a wind that passeth away, and cometh not again.
40Hoe dikwijls nog hebben ze in de woestijn Hem verbitterd, En Hem in de steppe gekrenkt;
40How oft did they rebel against Him in the wilderness, and grieve Him in the desert!
41Hebben ze God beproefd, Israëls Heilige gegriefd?
41And still again they tried God, and set bounds to the Holy One of Israel.
42Neen, ze dachten niet terug aan de macht van zijn hand, Aan de dag, waarop Hij ze van den vijand verloste.
42They remembered not His hand, nor the day when He redeemed them from the adversary.
43En toch, wat voor tekenen had Hij in Egypte gedaan, En wonderen in de vlakte van Sóan!
43How He set His signs in Egypt, and His wonders in the field of Zoan;
44Hun stromen had Hij in bloed veranderd, En hun beken ondrinkbaar gemaakt;
44And turned their rivers into blood, so that they could not drink their streams.
45Gulzige muggen op hen afgezonden, En kikvorsen, om ze te gronde te richten.
45He sent among them swarms of flies, which devoured them; and frogs, which destroyed them.
46Hij had hun gewas aan den sprinkhaan gegeven, En aan den schrokker hun vruchten;
46He gave also their increase unto the caterpillar, and their labour unto the locust.
47Hun ranken door hagel vernield, Hun moerbei door ijzel;
47He destroyed their vines with hail, and their sycamore-trees with frost.
48Hun vee een prooi der pest gemaakt, Hun kudde een buit der besmetting.
48He gave over their cattle also to the hail, and their flocks to fiery bolts.
49En op henzelf had Hij zijn ziedende gramschap losgelaten, Zijn toorn, zijn woede en kwelling; Verderf-engelen op hen afgezonden, De vrije loop aan zijn gramschap gelaten:
49He sent forth upon them the fierceness of His anger, wrath, and indignation, and trouble, a sending of messengers of evil.
50Hij had ze de dood niet laten ontsnappen, Maar hun leven prijs gegeven aan de pest.
50He levelled a path for His anger; He spared not their soul from death, but gave their life over to the pestilence;
51Hij had alle eerstgeborenen in Egypte geslagen, De eerstelingen der mannelijke kracht in de tenten van Cham.
51And smote all the first-born in Egypt, the first-fruits of their strength in the tents of Ham;
52Maar zijn volk had Hij weggeleid als een kudde, En als schapen door de steppe gevoerd;
52But He made His own people to go forth like sheep, and guided them in the wilderness like a flock.
53Hij had ze veilig doen gaan, ze behoefden niemand te vrezen: Want de zee had hun vijand bedekt.
53And He led them safely, and they feared not; but the sea overwhelmed their enemies.
54Zo bracht Hij hen naar zijn heilige grond, Naar de berg, die zijn rechterhand had veroverd.
54And He brought them to His holy border, to the mountain, which His right hand had gotten.
55Hij dreef de volkeren voor hen uit, Gaf ze bij lot als erfdeel weg; En in hun tenten liet Hij wonen. Israëls stammen.
55He drove out the nations also before them, and allotted them for an inheritance by line, and made the tribes of Israel to dwell in their tents.
56Maar ook daar beproefden en tartten ze God, En onderhielden de geboden van den Allerhoogste niet.
56Yet they tried and provoked God, the Most High, and kept not His testimonies;
57Trouweloos vielen ze af als hun vaderen, Wispelturig als een onbetrouwbare boog;
57But turned back, and dealt treacherously like their fathers; they were turned aside like a deceitful bow.
58Ze tergden Hem door hun offerhoogten, En prikkelden Hem met hun beelden.
58For they provoked Him with their high places, and moved Him to jealousy with their graven images.
59God merkte het, en ziedde van gramschap, En Israël begon Hem te walgen:
59God heard, and was wroth, and He greatly abhorred Israel;
60Hij gaf zijn woning in Sjilo prijs, De tent, waar Hij onder de mensen verkeerde;
60And He forsook the tabernacle of Shiloh, the tent which He had made to dwell among men;
61Zijn majesteit gaf Hij gevangen, Zijn glorie in de hand van den vijand.
61And delivered His strength into captivity, and His glory into the adversary's hand.
62Hij wierp zijn volk ten prooi aan het zwaard, En grimde van toorn op zijn erfdeel:
62He gave His people over also unto the sword; and was wroth with His inheritance.
63Zijn jonge mannen werden verteerd door het vuur, Zijn maagden kregen geen huwelijkslied;
63Fire devoured their young men; and their virgins had no marriage-song.
64Zijn priesters vielen door het zwaard, En zijn weduwen beweenden ze niet.
64Their priests fell by the sword; and their widows made no lamentation.
65Maar eindelijk ontwaakte de Heer, als iemand die slaapt, En als een krijgsman, bevangen door wijn:
65Then the Lord awaked as one asleep, like a mighty man recovering from wine.
66Hij sloeg zijn vijanden achteruit, En bracht ze voor eeuwig tot schande.
66And He smote His adversaries backward; He put upon them a perpetual reproach.
67Toch bleef Hij de tent van Josef versmaden, En koos de stam van Efraïm niet uit!
67Moreover He abhorred the tent of Joseph, and chose not the tribe of Ephraim;
68Neen, Juda’s stam koos Hij uit, Sions berg, die Hij liefhad;
68But chose the tribe of Judah, the mount Zion which He loved.
69Hij bouwde zijn heiligdom hoog als de hemel, Vast als de aarde voor eeuwig.
69And He built His sanctuary like the heights, like the earth which He hath founded for ever.
70En Hij stelde zijn keuze In David, zijn dienaar! Hij nam hem van de schaapskooien weg,
70He chose David also His servant, and took him from the sheepfolds;
71En haalde hem van de zogende schapen, Opdat hij Jakob, zijn volk, zou weiden, En Israël, zijn erfdeel.
71From following the ewes that give suck He brought him, to be shepherd over Jacob His people, and Israel His inheritance.
72Hij heeft ze geweid, rechtschapen van hart, En met bekwame hand ze geleid!
72So he shepherded them according to the integrity of his heart; and lead them by the skilfulness of his hands.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.