Psalmen 107
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Brengt Jahweh dank, want Hij is goed, En zijn genade duurt eeuwig!
1BOOK V 'O give thanks unto the LORD, for He is good, for His mercy endureth for ever.'
2Zo moeten getuigen, die door Jahweh verlost zijn, En door Hem uit de nood zijn gered;
2So let the redeemed of the LORD say, whom He hath redeemed from the hand of the adversary;
3Die Hij van alle kant hierheen heeft gebracht, Van oost en west, van noord en zuid.
3And gathered them out of the lands, from the east and from the west, from the north and from the sea.
4Sommigen doolden in woestijn en wildernis rond, Zonder de weg naar hun woonplaats te vinden;
4They wandered in the wilderness in a desert way; they found no city of habitation.
5Ze leden honger en dorst, En hun leven verkwijnde.
5Hungry and thirsty, their soul fainted in them.
6Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
6Then they cried unto the LORD in their trouble, and He delivered them out of their distresses.
7Hij bracht ze weer op de veilige weg, Zodat ze hun woonplaats bereikten.
7And He led them by a straight way, that they might go to a city of habitation.
8Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
8Let them give thanks unto the LORD for His mercy, and for His wonderful works to the children of men!
9Want den dorstige heeft Hij gelaafd, Den hongerige heeft Hij verzadigd!
9For He hath satisfied the longing soul, and the hungry soul He hath filled with good.
10Anderen zaten in duister en donker, In ellende en boeien gekluisterd;
10Such as sat in darkness and in the shadow of death, being bound in affliction and iron —
11Want ze hadden zich tegen Gods geboden verzet, En de vermaning van den Allerhoogste veracht;
11Because they rebelled against the words of God, and contemned the counsel of the Most High.
12Zo was door rampspoed de moed hun ontzonken, En reddeloos stortten ze neer.
12Therefore He humbled their heart with travail, they stumbled, and there was none to help —
13Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
13They cried unto the LORD in their trouble, and He saved them out of their distresses.
14Hij haalde ze uit het duister en donker, En verbrak hun boeien.
14He brought them out of darkness and the shadow of death, and broke their bands in sunder.
15Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
15Let them give thanks unto the LORD for His mercy, and for His wonderful works to the children of men!
16Want metalen poorten heeft Hij verbrijzeld, Ijzeren grendels in stukken geslagen!
16For He hath broken the gates of brass, and cut the bars of iron in sunder.
17Anderen werden ziek door hun zondige wandel, Hadden smarten te lijden om hun schuld;
17Crazed because of the way of their transgression, and afflicted because of their iniquities —
18Alle voedsel begon hun te walgen, En ze stonden al dicht bij de poorten des doods.
18Their soul abhorred all manner of food, and they drew near unto the gates of death —
19Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten.
19They cried unto the LORD in their trouble, and He saved them out of their distresses;
20Hij sprak: en ze werden genezen, En Hij ontrukte hen weer aan het graf.
20He sent His word, and healed them, and delivered them from their graves.
21Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
21Let them give thanks unto the LORD for His mercy, and for His wonderful works to the children of men!
22Laat ze dankoffers brengen, En jubelend zijn werken vermelden!
22And let them offer the sacrifices of thanksgiving, and declare His works with singing.
23Anderen staken op schepen in zee, Om handel te drijven op de onmetelijke wateren.
23They that go down to the sea in ships, that do business in great waters —
24Ook zij hebben Jahweh’s werken aanschouwd, In de kolken zijn wonderen.
24These saw the works of the LORD, and His wonders in the deep;
25Hij sprak: en er stak een stormwind op, Die zwiepte de golven omhoog;
25For He commanded, and raised the stormy wind, which lifted up the waves thereof;
26Ze vlogen op naar de hemel, ploften neer in de diepten, En vergingen van angst;
26They mounted up to the heaven, they went down to the deeps; their soul melted away because of trouble;
27Ze rolden en tuimelden, als waren ze dronken, En al hun zeemanschap was tevergeefs.
27They reeled to and fro, and staggered like a drunken man, and all their wisdom was swallowed up —
28Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
28They cried unto the LORD in their trouble, and He brought them out of their distresses.
29Hij bedaarde de storm tot een bries, En de golven legden zich neer;
29He made the storm a calm, so that the waves thereof were still.
30Wat waren ze blij, toen het kalm was geworden, En Hij hen naar de verbeide haven geleidde!
30Then were they glad because they were quiet, and He led them unto their desired haven.
31Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
31Let them give thanks unto the LORD for His mercy, and for His wonderful works to the children of men!
32Hem in de volksgemeente roemen, Hem in de raad der oudsten prijzen!
32Let them exalt Him also in the assembly of the people, and praise Him in the seat of the elders.
33Rivieren maakt Hij tot steppe, Waterbronnen tot dorstige grond;
33He turneth rivers into a wilderness, and watersprings into a thirsty ground;
34Vruchtbaar land tot zilte bodem, Om de boosheid van zijn bewoners.
34A fruitful land into a salt waste, for the wickedness of them that dwell therein.
35Maar van de steppe maakt Hij een vijver, Waterbronnen van het dorre land;
35He turneth a wilderness into a pool of water, and a dry land into watersprings.
36Daar zet Hij de hongerigen neer, Om er zich een woonplaats te stichten.
36And there He maketh the hungry to dwell, and they establish a city of habitation;
37Ze bezaaien hun akkers, beplanten hun gaarden, En oogsten hun vruchten.
37And sow fields, and plant vineyards, which yield fruits of increase.
38Hij zegent hen: ze worden zeer talrijk, En Hij vermeerdert hun vee.
38He blesseth them also, so that they are multiplied greatly, and suffereth not their cattle to decrease.
39En nemen ze af in getal, en gaan ze ten onder Door verdrukking, ellende en jammer:
39Again, they are minished and dwindle away through oppression of evil and sorrow.
40Dan geeft Hij de tyrannen prijs aan de schande, En laat ze door de wildernis dolen.
40He poureth contempt upon princes, and causeth them to wander in the waste, where there is no way.
41Maar den arme heft Hij uit de ellende weer op, En maakt zijn geslacht weer talrijk als kudden:
41Yet setteth He the needy on high from affliction, and maketh his families like a flock.
42De vromen zien het, en juichen; Maar wat boos is, zwijgt stil.
42The upright see it, and are glad; and all iniquity stoppeth her mouth.
43Wie wijs is, neemt het ter harte, En beseft de goedheid van Jahweh!
43Whoso is wise, let him observe these things, and let them consider the mercies of the LORD.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.