Psalmen 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Voor muziekbegeleiding; wijze: De hinde van de dageraad. Een psalm van David. Mijn God, mijn God, zie op mij neer; Waarom hebt Gij mij verlaten? Waarom houdt Gij U ver van mijn hulp, Ver van mijn jammerklachten, mijn God?
1(22-1) For the Leader; upon Aijeleth ha-Shahar. A Psalm of David. (22-2) My God, my God, why hast Thou forsaken me, and art far from my help at the words of my cry?
2Ik roep overdag, Gij antwoordt niet; Des nachts, maar ik vind geen rust.
2(22-3) O my God, I call by day, but Thou answerest not; and at night, and there is no surcease for me.
3Toch troont Gij in het heiligdom, Gij, Israëls hoop!
3(22-4) Yet Thou art holy, O Thou that art enthroned upon the praises of Israel.
4Op U hebben onze vaderen vertrouwd, Op U zich verlaten, Gij hebt ze verlost;
4(22-5) In Thee did our fathers trust; they trusted, and Thou didst deliver them.
5Tot U geroepen, ze werden gered, Op U gerekend, ze zijn niet beschaamd.
5(22-6) Unto Thee they cried, and escaped; in Thee did they trust, and were not ashamed.
6Doch ik ben maar een worm en geen mens, Door de wereld bespot, veracht door het volk;
6(22-7) But I am a worm, and no man; a reproach of men, and despised of the people.
7Al die mij zien, lachen mij uit, Grijnzen, en schudden meewarig het hoofd:
7(22-8) All they that see me laugh me to scorn; they shoot out the lip, they shake the head:
8“Hij heeft op Jahweh vertrouwd. Laat Die hem nu helpen, En hem verlossen, wanneer Hij hem liefheeft!”
8(22-9) 'Let him commit himself unto the LORD! let Him rescue him; let Him deliver him, seeing He delighteth in him.'
9Ja, Gij zijt het, die mij uit de schoot hebt genomen, Die mij veilig deedt rusten aan de borst mijner moeder;
9(22-10) For Thou art He that took me out of the womb; Thou madest me trust when I was upon my mother's breasts.
10Bij mijn geboorte werd ik op uw knieën gelegd, Gij zijt mijn God van de moederschoot af.
10(22-11) Upon Thee I have been cast from my birth; Thou art my God from my mother's womb.
11Blijf dus niet verre van mij, Want de nood is nabij, en er is niemand die helpt!
11(22-12) Be not far from me; for trouble is near; for there is none to help.
12Bonkige stieren staan om mij heen, Buffels van Basjan omsingelen mij;
12(22-13) Many bulls have encompassed me; strong bulls of Bashan have beset me round.
13Ze sperren hun muil naar mij open Als verscheurende, brullende leeuwen.
13(22-14) They open wide their mouth against me, as a ravening and a roaring lion.
14Als water ben ik uitgegoten, Al mijn beenderen zijn ontwricht; Mijn hart is als was, Smelt weg in mijn borst.
14(22-15) I am poured out like water, and all my bones are out of joint; my heart is become like wax; it is melted in mine inmost parts.
15Mijn keel is droog als een scherf, Mijn tong kleeft aan mijn gehemelte vast; En in het stof van de dood Strekt Gij mij neer.
15(22-16) My strength is dried up like a potsherd; and my tongue cleaveth to my throat; and Thou layest me in the dust of death.
16Dan komen honden om mij heen, Een bende boosdoeners houdt mij omlegerd; Ze doorboren mijn handen en voeten,
16(22-17) For dogs have encompassed me; a company of evil-doers have inclosed me; like a lion, they are at my hands and my feet.
17Al mijn beenderen kan ik tellen. Ze werpen begerige blikken, En gluren mij aan;
17(22-18) I may count all my bones; they look and gloat over me.
18Verdelen mijn kleren onder elkander, En loten om mijn gewaad.
18(22-19) They part my garments among them, and for my vesture do they cast lots.
19O Jahweh, blijf toch niet in de verte; Mijn Sterkte, snel mij te hulp!
19(22-20) But Thou, O LORD, be not far off; O Thou my strength, hasten to help me.
20Bescherm mijn leven tegen het zwaard, Het enige, dat mij nog rest, tegen de honden;
20(22-21) Deliver my soul from the sword; mine only one from the power of the dog.
21Red mij uit de muil van den leeuw, Mij arme, van de hoornen der buffels.
21(22-22) Save me from the lion's mouth; yea, from the horns of the wild-oxen do Thou answer me.
22Dan zal ik uw Naam aan mijn broeders verkonden, In de kring der gemeente U prijzen:
22(22-23) I will declare Thy name unto my brethren; in the midst of the congregation will I praise Thee.
23“Looft Jahweh, gij die Hem vreest, Heel Jakobs geslacht; Brengt Hem ere en siddert voor Hem, Alle kinderen van Israël!”
23(22-24) 'Ye that fear the LORD, praise Him; all ye the seed of Jacob, glorify Him; and stand in awe of Him, all ye the seed of Israel.
24“Want nimmer heeft Hij versmaad of veracht De ellende van den verdrukte; Zijn aanschijn voor hem niet verborgen, Maar hem verhoord, als hij Hem riep!”
24(22-25) For He hath not despised nor abhorred the lowliness of the poor; neither hath He hid His face from him; but when he cried unto Him, He heard.'
25Dit zal mijn danklied voor U zijn In de grote gemeente! Dan zal ik ook mijn belofte vervullen Aan hen, die Hem vrezen:
25(22-26) From Thee cometh my praise in the great congregation; I will pay my vows before them that fear Him.
26De armen zullen eten, En worden verzadigd; Die Jahweh zoeken, zullen Hem loven. En hun hart zal eeuwig worden verkwikt.
26(22-27) Let the humble eat and be satisfied; let them praise the LORD that seek after Him; may your heart be quickened for ever!
27Alle grenzen der aarde zullen het gedenken, En zich tot Jahweh bekeren, Alle stammen der heidenen Hem aanbidden!
27(22-28) All the ends of the earth shall remember and turn unto the LORD; and all the kindreds of the nations shall worship before Thee.
28Want Jahweh komt het koningschap toe, Hij is de Heerser der volken;
28(22-29) For the kingdom is the LORD'S; and He is the ruler over the nations.
29Hem alleen moeten huldigen alle machten der aarde! Dan buigen zich ook voor Hem neer, die in het stof zijn gezonken, En geen leven meer hebben.
29(22-30) All the fat ones of the earth shall eat and worship; all they that go down to the dust shall kneel before Him, even he that cannot keep his soul alive.
30Dan zal ook mijn zaad Hem dienen, En van den Heer gaan vertellen aan het volgend geslacht,
30(22-31) A seed shall serve him; it shall be told of the Lord unto the next generation.
31Zijn goedheid verhalen aan het volk, dat nog geboren moet worden: Dat het Jahweh was, die het volbracht!
31(22-32) They shall come and shall declare His righteousness unto a people that shall be born, that He hath done it.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.