Psalmen 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Voor muziekbegeleiding; wijze: De hinde van de dageraad. Een psalm van David. Mijn God, mijn God, zie op mij neer; Waarom hebt Gij mij verlaten? Waarom houdt Gij U ver van mijn hulp, Ver van mijn jammerklachten, mijn God?
1A I Kot, ai Kot da me komui likidmalie kin ia la? I likelikwir, a jauaj pa i me doo.
2Ik roep overdag, Gij antwoordt niet; Des nachts, maar ik vind geen rust.
2Ai Kot, nin ran i kin likwir, a kom jota kin jape n , o ni po n I pil jota kin nenenla.
3Toch troont Gij in het heiligdom, Gij, Israëls hoop!
3Ari jo, komui ta me jaraui, komui me kotikot pan kaul en kapi n en Ijrael.
4Op U hebben onze vaderen vertrouwd, Op U zich verlaten, Gij hebt ze verlost;
4Jam at akan liki komui, o ni ar liki, kom kotin jauaja irail er.
5Tot U geroepen, ze werden gered, Op U gerekend, ze zijn niet beschaamd.
5Irail likwir o n komui, rap dorelar, re liki komui, rap jota namenokala.
6Doch ik ben maar een worm en geen mens, Door de wereld bespot, veracht door het volk;
6A n ai dueta kamatol amen, a kaidin ol amen, me aramaj akan kin lalaue o mamaleki.
7Al die mij zien, lachen mij uit, Grijnzen, en schudden meewarig het hoofd:
7Karoj me kila n ia, kin lalaue, ia, jara paja n au arail o tuetual mo n arail:
8“Hij heeft op Jahweh vertrouwd. Laat Die hem nu helpen, En hem verlossen, wanneer Hij hem liefheeft!”
8A kin liki Ieowa, i en dorela i, o kamaioda i, pwe a kin kupura i.
9Ja, Gij zijt het, die mij uit de schoot hebt genomen, Die mij veilig deedt rusten aan de borst mijner moeder;
9Pwe komui kotin kaipwi ia ja n nan kaped en in ai; komui ta, me i liki ja n ni anjaun ai mi ni maramaran in ai.
10Bij mijn geboorte werd ik op uw knieën gelegd, Gij zijt mijn God van de moederschoot af.
10Ja n nan’ kaped en in ai i lokidokila n komui; komui ta ai Kot ja n ni anjaun ai mi pon kopan in ai.
11Blijf dus niet verre van mij, Want de nood is nabij, en er is niemand die helpt!
11Kom der kotin doo ja n ia, pwe anjaun kalokolok korendor, ap jolar jauaj pa i.
12Bonkige stieren staan om mij heen, Buffels van Basjan omsingelen mij;
12Kau ol kalaimun kan kapil ia penaer, o kau ol en Paja n kele ia pena.
13Ze sperren hun muil naar mij open Als verscheurende, brullende leeuwen.
13Irail jara do n ia dueta laien weriwer o laualo amen.
14Als water ben ik uitgegoten, Al mijn beenderen zijn ontwricht; Mijn hart is als was, Smelt weg in mijn borst.
14N ai wudokilar dueta pil, ai kokon akan karoj muei paja n er, o mo n io n i pei paja n er nan kaped i dueta wi.
15Mijn keel is droog als een scherf, Mijn tong kleeft aan mijn gehemelte vast; En in het stof van de dood Strekt Gij mij neer.
15Ai kelail n ala n al lar dueta diper en dal eu, o lo i pajada n pan n ata n at ai, o komui kin wia kin ia me melar amen.
16Dan komen honden om mij heen, Een bende boosdoeners houdt mij omlegerd; Ze doorboren mijn handen en voeten,
16Pwe kidi kan kapil ia pena, o pwin aramaj jued eu kele ia pena, irail kapore paja n pa i o na i kat.
17Al mijn beenderen kan ik tellen. Ze werpen begerige blikken, En gluren mij aan;
17I kak wadok kokon ai kan karoj; a irail kin kilekila n ap peren kida.
18Verdelen mijn kleren onder elkander, En loten om mijn gewaad.
18Re kin nek paja n ai likau kan nan pu n arail, o re doropweki ai likau pup.
19O Jahweh, blijf toch niet in de verte; Mijn Sterkte, snel mij te hulp!
19A komui Mai n ender doo ja n ia! Ai kel mada n do o jauaja ia!
20Bescherm mijn leven tegen het zwaard, Het enige, dat mij nog rest, tegen de honden;
20Dorela maur i ja n kodlaj, pwe me ta ieu, o ja n nan kel en kidi!
21Red mij uit de muil van den leeuw, Mij arme, van de hoornen der buffels.
21Jauaja ia ja n nan au en laien, o dore ia la ja n oje en man laualo!
22Dan zal ik uw Naam aan mijn broeders verkonden, In de kring der gemeente U prijzen:
22I pan padaki o n ri ai kan duen mar omui, o i pan kapi n a komui nan momodijou.
23“Looft Jahweh, gij die Hem vreest, Heel Jakobs geslacht; Brengt Hem ere en siddert voor Hem, Alle kinderen van Israël!”
23Kapi n a leowa komail me majak i, o kadaudok en Iakop en kali n a n ada i, o wan Ijrael karoj majak i.
24“Want nimmer heeft Hij versmaad of veracht De ellende van den verdrukte; Zijn aanschijn voor hem niet verborgen, Maar hem verhoord, als hij Hem riep!”
24Pwe a jota kotin mamaleki de juedeki me luet akan; o a jota kotin karirila jila n i ja n irail; o ni a likwir o n i, a kotin erekier.
25Dit zal mijn danklied voor U zijn In de grote gemeente! Dan zal ik ook mijn belofte vervullen Aan hen, die Hem vrezen:
25I pan kapi n a komui nan momodijou kalaimun; i pan kapwaiada ai inau mon ir me lan i.
26De armen zullen eten, En worden verzadigd; Die Jahweh zoeken, zullen Hem loven. En hun hart zal eeuwig worden verkwikt.
26Me luet akan en ma n a o medila, o me idok leowa, pan kapi n a i; n en omail pan me maureta kokolata.
27Alle grenzen der aarde zullen het gedenken, En zich tot Jahweh bekeren, Alle stammen der heidenen Hem aanbidden!
27Ni imwin jap karoj re pan tamanda leowa, ap wuki o n i, o di en men liki karoj pan kaudoki o n i.
28Want Jahweh komt het koningschap toe, Hij is de Heerser der volken;
28Pwe wein leowa, o a kotin kaunda men liki kan.
29Hem alleen moeten huldigen alle machten der aarde! Dan buigen zich ook voor Hem neer, die in het stof zijn gezonken, En geen leven meer hebben.
29Me wi kan karoj nin jappa pan ma n ama n a o kelepuki; karoj, me pan wiala pwel o jota kak kolekol maur ar, pan po n i i.
30Dan zal ook mijn zaad Hem dienen, En van den Heer gaan vertellen aan het volgend geslacht,
30Kadaudok eu mia, me pan papa i, re pan padaki o n jeri o jeri en jeri kan duen leowa.
31Zijn goedheid verhalen aan het volk, dat nog geboren moet worden: Dat het Jahweh was, die het volbracht!
31Re pan pwarado o padaki o n aramaj akan, me pan ipwidi mur duen a pu n , o duen me a kotin wiadar.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.