Psalmen 62
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Voor muziekbegeleiding; voor Jedoetoen. Een psalm van David. Vertrouw rustig op God, mijn ziel, Want van Hem komt mijn heil;
1N EN i moleileilar ren Kot, me kotin jauaja ia.
2Hij alleen is mijn rots en mijn redding, Mijn toevlucht: nooit zal ik wankelen!
2Pwe i eta ai paip, o jauaj pa i, o pere pa i, pwe i en jota luetala kokolata.
3Hoe lang nog stormt gij op een ander los, En stoot hem met u allen omver Als een hellende wand, Of een vallende muur?
3Arai da komail kin majamajan ol ta men, pwen kamela, me rajo n did panpanla o kel me paul paja n er?
4Ze leggen het op zijn ondergang aan, En liegen er op los, om hem in het ongeluk te storten; Ze zegenen wel met hun mond, Maar vervloeken met hun hart.
4Re kin madamadaua duen ar pan kak kapupedi i, re kadek likam, re kin lokaia kajelel, a nan mo n io n arail re kin lalaue.
5Vertrouw rustig op God, mijn ziel, Want van Hem komt mijn heil;
5N en I kaporoporeki Kot, pwe I kapre pa i.
6Hij alleen is mijn rots en mijn redding, Mijn toevlucht: nooit zal ik wankelen!
6I eta ai paip o jauaj pa I, o pere pa I, pwe I ender pupedi.
7Bij God is mijn heil en mijn eer, God is mijn sterkte en mijn stut.
7Ai maur mi ren Kot, o ai li n an, o ai paiap, o ai kel; I kaporoporeki Kot.
8Blijf altijd op God vertrouwen, mijn volk, Stort uw hart voor Hem uit: onze toevlucht is God!
8Komail aramaj akan karoj kaporoporeki I anjau karoj kajanjale on I mo n io n omail, Kot kapore patail.
9Maar de mens is enkel een zucht, De kinderen der mensen een leugen; In de weegschaal gaan ze allen omhoog, Ze zijn lichter dan lucht. Vertrouw rustig op God, mijn ziel, Want van Hem komt mijn heil; Hij alleen is mijn rots en mijn redding, Mijn toevlucht: nooit zal ik wankelen!
9A aramaj akan jota meakot, o me lapalap akan pil kin japu n ala. Ni men tenok re kin kokoda, menda ma irail me toto.
10Ook in afpersing stelt geen vertrouwen. Op diefstal geen ijdele hoop; En als de rijkdom vermeerdert, Hecht uw hart er niet aan.
10Komail der keleki omial dipijou japu n o der kaporoporeki me komail kuliadar. Ma komail pan kapwapwala, komwail der kajampaleki!
11Eén woord heeft God gesproken, En deze twee heb ik gehoord: Bij God is de macht;
11Kot kotikidar majan eu, me I ro n er akai anjau, iet: Kot eta me manaman.
12bij U de genade, o Heer! En: Gij vergeldt iedereen naar zijn werken!
12Komui Mai n me kala n an o komui kin pwain o n amen amen duen a wiawia kan.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.