Psalmen
Chapter 22
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Voor muziekbegeleiding; wijze: De hinde van de dageraad. Een psalm van David. Mijn God, mijn God, zie op mij neer; Waarom hebt Gij mij verlaten? Waarom houdt Gij U ver van mijn hulp, Ver van mijn jammerklachten, mijn God?
1Au chef des chantres. Sur “Biche de l’aurore”. Psaume de David.
2Ik roep overdag, Gij antwoordt niet; Des nachts, maar ik vind geen rust.
2Mon Dieu! Mon Dieu! Pourquoi m’as-tu abandonné, Et t’éloignes-tu sans me secourir, sans écouter mes plaintes?
3Toch troont Gij in het heiligdom, Gij, Israëls hoop!
3Mon Dieu! Je crie le jour, et tu ne réponds pas; La nuit, et je n’ai point de repos.
4Op U hebben onze vaderen vertrouwd, Op U zich verlaten, Gij hebt ze verlost;
4Pourtant tu es le Saint, Tu sièges au milieu des louanges d’Israël.
5Tot U geroepen, ze werden gered, Op U gerekend, ze zijn niet beschaamd.
5En toi se confiaient nos pères; Ils se confiaient, et tu les délivrais.
6Doch ik ben maar een worm en geen mens, Door de wereld bespot, veracht door het volk;
6Ils criaient à toi, et ils étaient sauvés; Ils se confiaient en toi, et ils n’étaient point confus.
7Al die mij zien, lachen mij uit, Grijnzen, en schudden meewarig het hoofd:
7Et moi, je suis un ver et non un homme, L’opprobre des hommes et le méprisé du peuple.
8“Hij heeft op Jahweh vertrouwd. Laat Die hem nu helpen, En hem verlossen, wanneer Hij hem liefheeft!”
8Tous ceux qui me voient se moquent de moi, Ils ouvrent la bouche, secouent la tête:
9Ja, Gij zijt het, die mij uit de schoot hebt genomen, Die mij veilig deedt rusten aan de borst mijner moeder;
9Recommande-toi à l’Éternel! L’Éternel le sauvera, Il le délivrera, puisqu’il l’aime!
10Bij mijn geboorte werd ik op uw knieën gelegd, Gij zijt mijn God van de moederschoot af.
10Oui, tu m’as fait sortir du sein maternel, Tu m’as mis en sûreté sur les mamelles de ma mère;
11Blijf dus niet verre van mij, Want de nood is nabij, en er is niemand die helpt!
11Dès le sein maternel j’ai été sous ta garde, Dès le ventre de ma mère tu as été mon Dieu.
12Bonkige stieren staan om mij heen, Buffels van Basjan omsingelen mij;
12Ne t’éloigne pas de moi quand la détresse est proche, Quand personne ne vient à mon secours!
13Ze sperren hun muil naar mij open Als verscheurende, brullende leeuwen.
13De nombreux taureaux sont autour de moi, Des taureaux de Basan m’environnent.
14Als water ben ik uitgegoten, Al mijn beenderen zijn ontwricht; Mijn hart is als was, Smelt weg in mijn borst.
14Ils ouvrent contre moi leur gueule, Semblables au lion qui déchire et rugit.
15Mijn keel is droog als een scherf, Mijn tong kleeft aan mijn gehemelte vast; En in het stof van de dood Strekt Gij mij neer.
15Je suis comme de l’eau qui s’écoule, Et tous mes os se séparent; Mon cœur est comme de la cire, Il se fond dans mes entrailles.
16Dan komen honden om mij heen, Een bende boosdoeners houdt mij omlegerd; Ze doorboren mijn handen en voeten,
16Ma force se dessèche comme l’argile, Et ma langue s’attache à mon palais; Tu me réduis à la poussière de la mort.
17Al mijn beenderen kan ik tellen. Ze werpen begerige blikken, En gluren mij aan;
17Car des chiens m’environnent, Une bande de scélérats rôdent autour de moi, Ils ont percé mes mains et mes pieds.
18Verdelen mijn kleren onder elkander, En loten om mijn gewaad.
18Je pourrais compter tous mes os. Eux, ils observent, ils me regardent;
19O Jahweh, blijf toch niet in de verte; Mijn Sterkte, snel mij te hulp!
19Ils se partagent mes vêtements, Ils tirent au sort ma tunique.
20Bescherm mijn leven tegen het zwaard, Het enige, dat mij nog rest, tegen de honden;
20Et toi, Éternel, ne t’éloigne pas! Toi qui es ma force, viens en hâte à mon secours!
21Red mij uit de muil van den leeuw, Mij arme, van de hoornen der buffels.
21Protège mon âme contre le glaive, Ma vie contre le pouvoir des chiens!
22Dan zal ik uw Naam aan mijn broeders verkonden, In de kring der gemeente U prijzen:
22Sauve-moi de la gueule du lion, Délivre-moi des cornes du buffle!
23“Looft Jahweh, gij die Hem vreest, Heel Jakobs geslacht; Brengt Hem ere en siddert voor Hem, Alle kinderen van Israël!”
23Je publierai ton nom parmi mes frères, Je te célébrerai au milieu de l’assemblée.
24“Want nimmer heeft Hij versmaad of veracht De ellende van den verdrukte; Zijn aanschijn voor hem niet verborgen, Maar hem verhoord, als hij Hem riep!”
24Vous qui craignez l’Éternel, louez-le! Vous tous, postérité de Jacob, glorifiez-le! Tremblez devant lui, vous tous, postérité d’Israël!
25Dit zal mijn danklied voor U zijn In de grote gemeente! Dan zal ik ook mijn belofte vervullen Aan hen, die Hem vrezen:
25Car il n’a ni mépris ni dédain pour les peines du misérable, Et il ne lui cache point sa face; Mais il l’écoute quand il crie à lui.
26De armen zullen eten, En worden verzadigd; Die Jahweh zoeken, zullen Hem loven. En hun hart zal eeuwig worden verkwikt.
26Tu seras dans la grande assemblée l’objet de mes louanges; J’accomplirai mes vœux en présence de ceux qui te craignent.
27Alle grenzen der aarde zullen het gedenken, En zich tot Jahweh bekeren, Alle stammen der heidenen Hem aanbidden!
27Les malheureux mangeront et se rassasieront, Ceux qui cherchent l’Éternel le célébreront. Que votre cœur vive à toujours!
28Want Jahweh komt het koningschap toe, Hij is de Heerser der volken;
28Toutes les extrémités de la terre penseront à l’Éternel et se tourneront vers lui; Toutes les familles des nations se prosterneront devant ta face.
29Hem alleen moeten huldigen alle machten der aarde! Dan buigen zich ook voor Hem neer, die in het stof zijn gezonken, En geen leven meer hebben.
29Car à l’Éternel appartient le règne: Il domine sur les nations.
30Dan zal ook mijn zaad Hem dienen, En van den Heer gaan vertellen aan het volgend geslacht,
30Tous les puissants de la terre mangeront et se prosterneront aussi; Devant lui s’inclineront tous ceux qui descendent dans la poussière, Ceux qui ne peuvent conserver leur vie.
31Zijn goedheid verhalen aan het volk, dat nog geboren moet worden: Dat het Jahweh was, die het volbracht!
31La postérité le servira; On parlera du Seigneur à la génération future.
no verse 32 in this text
32Quand elle viendra, elle annoncera sa justice, Elle annoncera son œuvre au peuple nouveau-né.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.