Psalmen 31
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Tot U neem ik mijn toevlucht, o Jahweh, Laat mij nooit beschaamd komen staan. Geef mij uitkomst door uw genade,
1Au chef des chantres. Psaume de David.
2Hoor mij aan, en red mij snel! Wees mij een veilige rots, Een veste, om mij te redden;
2Éternel! je cherche en toi mon refuge: Que jamais je ne sois confondu! Délivre-moi dans ta justice!
3Want Gij zijt mijn steun en mijn sterkte, Om wille van uw Naam. Gij zijt mijn gids en mijn leider,
3Incline vers moi ton oreille, hâte-toi de me secourir! Sois pour moi un rocher protecteur, une forteresse, Où je trouve mon salut!
4En bevrijdt mij uit het net, dat men mij had gespannen; Want Gij zijt mijn toevlucht,
4Car tu es mon rocher, ma forteresse; Et à cause de ton nom tu me conduiras, tu me dirigeras.
5In úw handen beveel ik mijn geest. Gij verlost mij, Jahweh, trouwe God,
5Tu me feras sortir du filet qu’ils m’ont tendu; Car tu es mon protecteur.
6Maar Gij haat, die op nietige afgoden hopen. Neen, ik blijf op Jahweh vertrouwen,
6Je remets mon esprit entre tes mains; Tu me délivreras, Éternel, Dieu de vérité!
7Wil juichen en jubelen in uw genade. Want Gij ziet mijn ellende, En kent de angst van mijn ziel.
7Je hais ceux qui s’attachent à de vaines idoles, Et je me confie en l’Éternel.
8Neen, Gij geeft mij niet prijs aan de macht van den vijand, Maar zet mijn voeten op veilige grond.
8Je serai par ta grâce dans l’allégresse et dans la joie; Car tu vois ma misère, tu sais les angoisses de mon âme,
9Ach Jahweh, ontferm U over mij, Want het is mij zo bang om het hart; Van verdriet kwijnt mijn oog, Mijn ziel en mijn lichaam.
9Et tu ne me livreras pas aux mains de l’ennemi, Tu mettras mes pieds au large.
10Mijn leven vliedt in jammer heen, In kermen mijn jaren; Mijn kracht is gebroken door mijn ellende, Mijn gebeente verdord.
10Aie pitié de moi, Éternel! Car je suis dans la détresse; J’ai le visage, l’âme et le corps usés par le chagrin.
11Voor al mijn vijanden Ben ik een spot; Voor mijn buren een afschuw, Voor bekenden een schrik. Die mij op straat ziet, Vlucht voor mij weg;
11Ma vie se consume dans la douleur, Et mes années dans les soupirs; Ma force est épuisée à cause de mon iniquité, Et mes os dépérissent.
12Als een dode ben ik uit de harten verbannen, Weggegooid als een pot.
12Tous mes adversaires m’ont rendu un objet d’opprobre, De grand opprobre pour mes voisins, et de terreur pour mes amis; Ceux qui me voient dehors s’enfuient loin de moi.
13Ik hoor ze met elkander al fluisteren; Overal schrik om mij heen! Ze steken de hoofden bijeen, En smeden plannen, om mij te doden.
13Je suis oublié des cœurs comme un mort, Je suis comme un vase brisé.
14Maar ik blijf op U hopen, o Jahweh, En zeggen: Gij zijt mijn God!
14J’apprends les mauvais propos de plusieurs, L’épouvante qui règne à l’entour, Quand ils se concertent ensemble contre moi: Ils complotent de m’ôter la vie.
15Mijn lot blijft in uw handen liggen; Verlos mij van mijn vijand en vervolgers.
15Mais en toi je me confie, ô Éternel! Je dis: Tu es mon Dieu!
16Laat uw aanschijn lichten over uw dienaar; Red mij door uw genade.
16Mes destinées sont dans ta main; Délivre-moi de mes ennemis et de mes persécuteurs!
17Jahweh, laat mij toch niet beschaamd komen staan: Want U roep ik aan. Neen, laat de bozen worden beschaamd en in het dodenrijk varen;
17Fais luire ta face sur ton serviteur, Sauve-moi par ta grâce!
18Laat de leugenlippen verstommen, Die den gerechte durven tergen Met trots en verachting.
18Éternel, que je ne sois pas confondu quand je t’invoque. Que les méchants soient confondus, Qu’ils descendent en silence au séjour des morts!
19Hoe groot is uw goedheid, o Jahweh, Die Gij hebt weggelegd voor hen, die U vrezen, Die Gij bewijst aan wie tot U vluchten, Voor het oog aller mensen.
19Qu’elles deviennent muettes, les lèvres menteuses, Qui parlent avec audace contre le juste, Avec arrogance et dédain!
20Gij beschermt ze in de schuts van uw aanschijn Voor het sarren der mensen; Gij stelt ze veilig in uw tent Voor het kijven der tongen.
20Oh! Combien est grande ta bonté, Que tu tiens en réserve pour ceux qui te craignent, Que tu témoignes à ceux qui cherchent en toi leur refuge, A la vue des fils de l’homme!
21Gezegend zij Jahweh! Want Hij heeft wonderen verricht Van zijn goedheid voor mij Ten tijde van nood.
21Tu les protèges sous l’abri de ta face contre ceux qui les persécutent, Tu les protèges dans ta tente contre les langues qui les attaquent.
22Ik had in mijn angst al gezegd: “Ik ben uit uw ogen verstoten!” Maar Gij hebt mijn smeken verhoord, Toen ik om hulp tot U riep.
22Béni soit l’Éternel! Car il a signalé sa grâce envers moi, Comme si j’avais été dans une ville forte.
23Hebt Jahweh dus lief Gij allen, zijn vromen; Want Jahweh behoedt de getrouwen, Maar met woeker vergeldt Hij de trotsen.
23Je disais dans ma précipitation: Je suis chassé loin de ton regard! Mais tu as entendu la voix de mes supplications, Quand j’ai crié vers toi.
24Houdt moed, weest onverschrokken van hart, Gij allen, die op Jahweh hoopt!
24Aimez l’Éternel, vous qui avez de la piété! L’Éternel garde les fidèles, Et il punit sévèrement les orgueilleux.
no verse 25 in this text
25Fortifiez-vous et que votre cœur s’affermisse, Vous tous qui espérez en l’Éternel!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.