Psalmen
Chapter 81
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Voor muziekbegeleiding; op de gittiet. Van Asaf. Jubelt voor God, onze sterkte, Juicht den God van Jakob ter eer;
1Au chef des chantres. Sur la guitthith. D’Asaph.
2Stemt lofzangen aan, slaat de pauken, Met lieflijke citer en harp;
2Chantez avec allégresse à Dieu, notre force! Poussez des cris de joie vers le Dieu de Jacob!
3Steekt deze maand de bazuinen, Bij volle maan voor de dag van ons feest!
3Entonnez des cantiques, faites résonner le tambourin, La harpe mélodieuse et le luth!
4Want dit is een voorschrift aan Israël, En een bevel van Jakobs God:
4Sonnez de la trompette à la nouvelle lune, A la pleine lune, au jour de notre fête!
5Een gebod, aan Josef gegeven, Na zijn tocht uit het land van Egypte, Toen hij een woord vernam, Dat hij nooit had gehoord:
5Car c’est une loi pour Israël, Une ordonnance du Dieu de Jacob.
6Ik heb de last van uw schouders genomen, En uw handen werden van de draagkorf bevrijd.
6Il en fit un statut pour Joseph, Quand il marcha contre le pays d’Égypte… J’entends une voix qui m’est inconnue:
7Gij riept in de nood, En Ik heb u verlost, In donderwolken u verhoord, Bij de wateren van Meriba u beproefd.
7J’ai déchargé son épaule du fardeau, Et ses mains ont lâché la corbeille.
8Hoor, mijn volk, Ik ga het u plechtig verkonden; Israël, ach, luister naar Mij:
8Tu as crié dans la détresse, et je t’ai délivré; Je t’ai répondu dans la retraite du tonnerre; Je t’ai éprouvé près des eaux de Meriba. — Pause.
9Geen andere god mag er onder u zijn; Geen vreemden god moogt gij aanbidden!
9Écoute, mon peuple! Et je t’avertirai; Israël, puisses-tu m’écouter!
10Ik ben Jahweh, uw God, die u uit Egypte heb geleid, En die uw mond heb gevuld, toen hij wijd was geopend!
10Qu’il n’y ait au milieu de toi point de dieu étranger! Ne te prosterne pas devant des dieux étrangers!
11Maar mijn volk luisterde niet naar mijn stem, En Israël gehoorzaamde niet;
11Je suis l’Éternel, ton Dieu, qui t’ai fait monter du pays d’Égypte; Ouvre ta bouche, et je la remplirai.
12Toen gaf ik ze prijs aan verstoktheid des harten, En iedereen ging zijn eigen weg.
12Mais mon peuple n’a point écouté ma voix, Israël ne m’a point obéi.
13Ach, had mijn volk naar Mij toch geluisterd, En Israël mijn wegen bewandeld!
13Alors je les ai livrés aux penchants de leur cœur, Et ils ont suivi leurs propres conseils.
14Hoe snel had Ik dan zijn vijand vernederd, Mijn hand op zijn verdrukkers doen komen;
14Oh! Si mon peuple m’écoutait, Si Israël marchait dans mes voies!
15Al hadden Jahweh’s haters Hem nog zo gevleid, Hun tijd was voor eeuwig gekomen!
15En un instant je confondrais leurs ennemis, Je tournerais ma main contre leurs adversaires;
16Maar u zou Ik spijzen met de bloem van de tarwe, En verzadigen met honing uit de rotsen.
16Ceux qui haïssent l’Éternel le flatteraient, Et le bonheur d’Israël durerait toujours;
no verse 17 in this text
17Je le nourrirais du meilleur froment, Et je le rassasierais du miel du rocher.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.