Psalmen 145
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Een loflied van David. Ik wil U verheffen, mijn God en mijn Koning Uw Naam in eeuwigheid loven;
1Louange. De David. Je t’exalterai, ô mon Dieu, mon roi! Et je bénirai ton nom à toujours et à perpétuité.
2Ik wil U zegenen iedere dag, Uw Naam verheerlijken voor altijd en eeuwig.
2Chaque jour je te bénirai, Et je célébrerai ton nom à toujours et à perpétuité.
3Groot is Jahweh, en hooggeprezen, Zijn majesteit is niet te doorgronden!
3L’Éternel est grand et très digne de louange, Et sa grandeur est insondable.
4Van geslacht tot geslacht zal men uw werken verheffen, En uw machtige daden vermelden;
4Que chaque génération célèbre tes œuvres, Et publie tes hauts faits!
5Van de heerlijke luister van uw Majesteit spreken, En uw wonderen bezingen;
5Je dirai la splendeur glorieuse de ta majesté; Je chanterai tes merveilles.
6Van de macht uwer ontzaglijke daden gewagen, En uw grootheid verkonden!
6On parlera de ta puissance redoutable, Et je raconterai ta grandeur.
7Men zal de roem van uw onmetelijke goedheid verbreiden, En over uw goedertierenheid jubelen:
7Qu’on proclame le souvenir de ton immense bonté, Et qu’on célèbre ta justice!
8“Genadig en barmhartig is Jahweh, Lankmoedig, vol goedheid;
8L’Éternel est miséricordieux et compatissant, Lent à la colère et plein de bonté.
9Goedertieren is Jahweh voor allen, Zijn barmhartigheid strekt zich over al zijn schepselen uit!”
9L’Éternel est bon envers tous, Et ses compassions s’étendent sur toutes ses œuvres.
10Al uw werken zullen U loven, o Jahweh, En uw vromen zullen U prijzen;
10Toutes tes œuvres te loueront, ô Éternel! Et tes fidèles te béniront.
11Ze zullen de glorie van uw Koningschap roemen, En uw almacht verkonden:
11Ils diront la gloire de ton règne, Et ils proclameront ta puissance,
12Om de kinderen der mensen uw kracht te doen kennen, En de heerlijke glans van uw Rijk.
12Pour faire connaître aux fils de l’homme ta puissance Et la splendeur glorieuse de ton règne.
13Uw Koningschap is een koningschap voor alle eeuwen, Uw heerschappij blijft van geslacht tot geslacht! Trouw is Jahweh in al zijn beloften, En in al zijn werken vol goedheid.
13Ton règne est un règne de tous les siècles, Et ta domination subsiste dans tous les âges.
14Jahweh stut die dreigen te vallen, En die gebukt gaan, richt Hij weer op.
14L’Éternel soutient tous ceux qui tombent, Et il redresse tous ceux qui sont courbés.
15Aller ogen zien naar U uit, Gij geeft voedsel aan allen, elk op zijn tijd;
15Les yeux de tous espèrent en toi, Et tu leur donnes la nourriture en son temps.
16Gij opent uw handen, En verzadigt naar hartelust al wat leeft!
16Tu ouvres ta main, Et tu rassasies à souhait tout ce qui a vie.
17Goedertieren is Jahweh in al zijn wegen, En in al zijn werken vol liefde.
17L’Éternel est juste dans toutes ses voies, Et miséricordieux dans toutes ses œuvres.
18Jahweh is allen, die Hem roepen, nabij: Allen, die oprecht tot Hem bidden.
18L’Éternel est près de tous ceux qui l’invoquent, De tous ceux qui l’invoquent avec sincérité;
19Hij vervult de wensen van hen, die Hem vrezen; Hij hoort hun smeken, en komt ze te hulp.
19Il accomplit les désirs de ceux qui le craignent, Il entend leur cri et il les sauve.
20Jahweh behoedt wie Hem liefheeft, Maar vernielt alle bozen!
20L’Éternel garde tous ceux qui l’aiment, Et il détruit tous les méchants.
21Mijn mond zal de lof van Jahweh verkonden; Alle vlees zijn heilige Naam zegenen voor eeuwig!
21Que ma bouche publie la louange de l’Éternel, Et que toute chair bénisse son saint nom, A toujours et à perpétuité!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.