Psalmen
Chapter 89
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Een leerdicht van Etan, den Ezrachiet. Uw genade, o Jahweh, wil ik eeuwig bezingen, Uw trouw verkonden van geslacht tot geslacht!
1Cantique d’Éthan, l’Ezrachite.
2Want Gij hebt gesproken: Mijn genade duurt eeuwig, Mijn trouw staat als de hemel onwankelbaar vast.
2Je chanterai toujours les bontés de l’Éternel; Ma bouche fera connaître à jamais ta fidélité.
3Ik heb een verbond met mijn uitverkorene gesloten, Een eed gezworen aan David, mijn dienaar:
3Car je dis: La bonté a des fondements éternels; Tu établis ta fidélité dans les cieux.
4Voor eeuwig zal Ik uw nazaat behouden, Uw troon doen staan van geslacht tot geslacht!
4J’ai fait alliance avec mon élu; Voici ce que j’ai juré à David, mon serviteur:
5De hemelen loven uw wondermacht, Jahweh, En uw trouw in de gemeenschap der heiligen;
5J’affermirai ta postérité pour toujours, Et j’établirai ton trône à perpétuité. — Pause.
6Want wie in de wolken kan zich meten met Jahweh, Wie van Gods zonen is aan Jahweh gelijk?
6Les cieux célèbrent tes merveilles, ô Éternel! Et ta fidélité dans l’assemblée des saints.
7Geweldig is God in de gemeenschap der heiligen, Machtig, ontzaglijk boven allen om Hem heen!
7Car qui, dans le ciel, peut se comparer à l’Éternel? Qui est semblable à toi parmi les fils de Dieu?
8God der heirscharen, Jahweh, wie komt U nabij; Uw almacht en trouw omringen U, Jahweh!
8Dieu est terrible dans la grande assemblée des saints, Il est redoutable pour tous ceux qui l’entourent.
9Gij beheerst de onstuimige zee, En bedaart de bruisende golven;
9Éternel, Dieu des armées! Qui est comme toi puissant, ô Éternel? Ta fidélité t’environne.
10Gij hebt Ráhab weggetrapt als een kreng, Uw vijanden uiteen gejaagd door uw machtige arm.
10Tu domptes l’orgueil de la mer; Quand ses flots se soulèvent, tu les apaises.
11Van U is de hemel, van U is de aarde; Gij hebt de wereld gegrond met wat ze bevat.
11Tu écrasas l’Égypte comme un cadavre, Tu dispersas tes ennemis par la puissance de ton bras.
12Het Noorden en Zuiden, Gij hebt ze geschapen; Tabor en Hermon prijzen uw Naam!
12C’est à toi qu’appartiennent les cieux et la terre, C’est toi qui as fondé le monde et ce qu’il renferme.
13Aan U de arm met heldenkracht; Uw hand is sterk, uw rechter verheven.
13Tu as créé le nord et le midi; Le Thabor et l’Hermon se réjouissent à ton nom.
14Recht en gerechtigheid dragen uw troon, Genade en trouw gaan voor uw aangezicht uit!
14Ton bras est puissant, Ta main forte, ta droite élevée.
15Gelukkig het volk, dat nog jubelen kan, En wandelen in het licht van uw aanschijn, o Jahweh;
15La justice et l’équité sont la base de ton trône. La bonté et la fidélité sont devant ta face.
16Dat zich altijd verheugt in uw Naam, En in uw gerechtigheid roemt.
16Heureux le peuple qui connaît le son de la trompette; Il marche à la clarté de ta face, ô Éternel!
17Want Gij zijt onze heerlijke schutse, Door uw goedheid heft onze hoorn zich omhoog:
17Il se réjouit sans cesse de ton nom, Et il se glorifie de ta justice.
18Want Jahweh is ons tot schild, Israëls Heilige tot Koning!
18Car tu es la gloire de sa puissance; C’est ta faveur qui relève notre force.
19Eens hebt Gij in visioenen gesproken, En tot uw getrouwe gezegd: Ik heb een dapperen strijder gekroond, Hoog verheven een jongeman uit het volk.
19Car l’Éternel est notre bouclier, Le Saint d’Israël est notre roi.
20Ik heb David, mijn dienaar, gevonden, Hem met mijn heilige olie gezalfd;
20Alors tu parlas dans une vision à ton bien-aimé, Et tu dis: J’ai prêté mon secours à un héros, J’ai élevé du milieu du peuple un jeune homme;
21Mijn hand houdt hem vast, En mijn arm zal hem stutten!
21J’ai trouvé David, mon serviteur, Je l’ai oint de mon huile sainte.
22Geen vijand zal hem bespringen, Geen booswicht benauwen;
22Ma main le soutiendra, Et mon bras le fortifiera.
23Ik leg zijn vijanden voor hem neer, En sla zijn haters tegen de grond.
23L’ennemi ne le surprendra pas, Et le méchant ne l’opprimera point;
24Mijn trouw en genade zullen hem steeds vergezellen, Door mijn Naam zal zijn hoorn zich verheffen;
24J’écraserai devant lui ses adversaires, Et je frapperai ceux qui le haïssent.
25Ik leg zijn hand op de zee, Zijn rechter op de rivieren.
25Ma fidélité et ma bonté seront avec lui, Et sa force s’élèvera par mon nom.
26Hij mag tot Mij roepen: Mijn Vader zijt Gij, Mijn God en de Rots van mijn heil;
26Je mettrai sa main sur la mer, Et sa droite sur les fleuves.
27En Ik zal hem tot eerstgeborene verheffen, Hoog boven de koningen der aarde.
27Lui, il m’invoquera: Tu es mon père, Mon Dieu et le rocher de mon salut!
28Eeuwig zal Ik hem mijn genade behouden, Onverbreekbaar zal mijn verbond met hem zijn:
28Et moi, je ferai de lui le premier-né, Le plus élevé des rois de la terre.
29Ik zal zijn geslacht laten duren voor eeuwig, Zijn troon als de dagen des hemels!
29Je lui conserverai toujours ma bonté, Et mon alliance lui sera fidèle;
30En mochten zijn zonen mijn wet verzaken, En niet wandelen naar mijn geboden,
30Je rendrai sa postérité éternelle, Et son trône comme les jours des cieux.
31Mijn voorschriften schenden, Mijn bevel overtreden:
31Si ses fils abandonnent ma loi Et ne marchent pas selon ses ordonnances,
32Dan zal Ik wel met de roede hun misdaad bestraffen, En met slagen hun schuld,
32S’ils violent mes préceptes Et n’observent pas mes commandements,
33Maar hèm zal Ik mijn gunst niet onthouden, En mijn trouw niet verloochenen.
33Je punirai de la verge leurs transgressions, Et par des coups leurs iniquités;
34Mijn verbond zal Ik nimmer verbreken, Nooit veranderen wat Ik eens heb gezegd;
34Mais je ne lui retirerai point ma bonté Et je ne trahirai pas ma fidélité,
35Bij mijn heiligheid heb Ik het eens en voor altijd gezworen, En nooit breek Ik David mijn woord!
35Je ne violerai point mon alliance Et je ne changerai pas ce qui est sorti de mes lèvres.
36Zijn geslacht zal eeuwig bestaan, En zijn troon als de zon voor mijn aanschijn;
36J’ai juré une fois par ma sainteté: Mentirai-je à David?
37Als de maan, die stand houdt voor eeuwig, En trouw in de wolken blijft staan.
37Sa postérité subsistera toujours; Son trône sera devant moi comme le soleil,
38En nu hebt Gij toch uw Gezalfde versmaad en verstoten, Tegen hem uw gramschap ontstoken;
38Comme la lune il aura une éternelle durée. Le témoin qui est dans le ciel est fidèle. — Pause.
39Het verbond met uw dienaar verbroken, Zijn kroon vertrapt op de grond.
39Et pourtant, tu as rejeté, tu as repoussé! Tu t’es irrité contre ton oint!
40Al zijn wallen hebt Gij geslecht, Zijn vestingen in puin gelegd;
40Tu as dédaigné l’alliance avec ton serviteur; Tu as abattu, profané sa couronne.
41Iedereen plundert hem, die er voorbij gaat, En zijn buren spotten met hem.
41Tu as détruit toutes ses murailles, Tu as mis en ruines ses forteresses.
42Gij hebt de rechterhand van zijn verdrukkers verhoogd, En al zijn vijanden van blijdschap doen juichen,
42Tous les passants le dépouillent; Il est un objet d’opprobre pour ses voisins.
43Doen wijken de kling van zijn zwaard, Hem geen stand doen houden in de strijd.
43Tu as élevé la droite de ses adversaires, Tu as réjoui tous ses ennemis;
44Gij hebt hem van zijn glorie beroofd, Zijn troon ter aarde geworpen;
44Tu as fait reculer le tranchant de son glaive, Et tu ne l’as pas soutenu dans le combat.
45De dagen verkort van zijn jeugdige kracht, En hem met schande bedekt.
45Tu as mis un terme à sa splendeur, Et tu as jeté son trône à terre;
46Hoe lang nog, Jahweh, zult Gij U maar altijd verbergen, En zal uw gramschap laaien als vuur?
46Tu as abrégé les jours de sa jeunesse, Tu l’as couvert de honte. — Pause.
47Bedenk toch, wat het leven is, Hoe vergankelijk Gij den mens hebt gemaakt.
47Jusques à quand, Éternel! Te cacheras-tu sans cesse, Et ta fureur s’embrasera-t-elle comme le feu?
48Waar leeft de man, die de dood niet zal zien, Zijn leven kan redden uit de klauw van het graf?
48Rappelle-toi ce qu’est la durée de ma vie, Et pour quel néant tu as créé tous les fils de l’homme.
49Heer, waar zijn dan uw vroegere gunsten gebleven, Die Gij David bij uw trouw hadt bezworen?
49Y a-t-il un homme qui puisse vivre et ne pas voir la mort, Qui puisse sauver son âme du séjour des morts? — Pause.
50Ach Heer, gedenk toch de smaad van uw dienaar, De hoon der volken, die ik in mijn boezem verkrop,
50Où sont, Seigneur! Tes bontés premières, Que tu juras à David dans ta fidélité?
51Waarmee uw vijanden schimpen, o Jahweh, En uw Gezalfde tergen bij iedere stap!
51Souviens-toi, Seigneur! De l’opprobre de tes serviteurs, Souviens-toi que je porte en mon sein tous les peuples nombreux;
52Gezegend zij Jahweh in eeuwigheid; Amen, Amen!
52Souviens-toi des outrages de tes ennemis, ô Éternel! De leurs outrages contre les pas de ton oint.
no verse 53 in this text
53Béni soit à jamais l’Éternel! Amen! Amen!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.