Psalmen 101
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Een psalm van David. Van vroomheid en recht wil ik zingen, U loven, o Jahweh!
1De David. Psaume. Je chanterai la bonté et la justice; C’est à toi, Éternel! Que je chanterai.
2Op de wandel der vromen gaan dichten: Ach, mocht hij mijn deel zijn! Rein van hart wil ik leven Binnen mijn huis;
2Je prendrai garde à la voie droite. Quand viendras-tu à moi? Je marcherai dans l’intégrité de mon cœur, Au milieu de ma maison.
3Voor mijn ogen niets dulden Wat slecht is. Uitspatting haat ik, En neem er geen deel aan;
3Je ne mettrai rien de mauvais devant mes yeux; Je hais la conduite des pécheurs; Elle ne s’attachera point à moi.
4Een bedorven hart blijft verre van mij, En van kwaad wil ik niets weten.
4Le cœur pervers s’éloignera de moi; Je ne veux pas connaître le méchant.
5Wie heimelijk zijn naaste belastert, Doe ik verstommen; De hoogmoedige blik en het trotse hart Kan ik niet uitstaan.
5Celui qui calomnie en secret son prochain, je l’anéantirai; Celui qui a des regards hautains et un cœur enflé, je ne le supporterai pas.
6Mijn ogen zijn gericht op de getrouwen in het land, Om ze bij mij te doen wonen; En wie een onberispelijk leven leidt, Mag mij dienen.
6J’aurai les yeux sur les fidèles du pays, Pour qu’ils demeurent auprès de moi; Celui qui marche dans une voie intègre sera mon serviteur.
7Maar niemand blijft in mijn huis, Die zich schuldig maakt aan bedrog; En wie leugens spreekt, Houdt geen stand voor mijn ogen.
7Celui qui se livre à la fraude n’habitera pas dans ma maison; Celui qui dit des mensonges ne subsistera pas en ma présence.
8Iedere morgen delg ik Alle boosdoeners uit in den lande; En drijf uit Jahweh’s stad Alle misdadigers weg.
8Chaque matin j’anéantirai tous les méchants du pays, Afin d’exterminer de la ville de l’Éternel Tous ceux qui commettent l’iniquité.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.