Psalmen 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Een psalm van David. Jahweh, wie mag uw gast zijn in uw tent, Wie wonen op uw heilige berg?
1Psaume de David. O Éternel! Qui séjournera dans ta tente? Qui demeurera sur ta montagne sainte?
2Die onberispelijk is van wandel, En van rechtschapen gedrag; Die in zijn hart de waarheid spreekt,
2Celui qui marche dans l’intégrité, qui pratique la justice Et qui dit la vérité selon son cœur.
3En met zijn tong niet lastert. Die zijn naaste geen kwaad doet, Geen smaad op zijn evenmens werpt;
3Il ne calomnie point avec sa langue, Il ne fait point de mal à son semblable, Et il ne jette point l’opprobre sur son prochain.
4In wiens oog een vervloekte verachtelijk is, Maar die eert, wie Jahweh vreest. Die zijn naaste een eed heeft gezworen, En hem niet breekt;
4Il regarde avec dédain celui qui est méprisable, Mais il honore ceux qui craignent l’Éternel; Il ne se rétracte point, s’il fait un serment à son préjudice.
5Die zijn geld niet uitleent met woeker, Geen steekpenning neemt, om de onschuld te schaden. Wie zó doet, Wankelt in eeuwigheid niet!
5Il n’exige point d’intérêt de son argent, Et il n’accepte point de don contre l’innocent. Celui qui se conduit ainsi ne chancelle jamais.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.