Psalmen
Chapter 30
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Een psalm. Een lied der tempelwijding. Van David. Ik wil U prijzen, o Jahweh; want Gij trokt mij omhoog, Opdat mijn vijanden niet over mij juichen.
1Psaume. Cantique pour la dédicace de la maison. De David.
2Ik riep tot U: “O Jahweh, mijn God!” En Gij hebt mij genezen, o Jahweh!
2Je t’exalte, ô Éternel, car tu m’as relevé, Tu n’as pas voulu que mes ennemis se réjouissent à mon sujet.
3Gij trokt mij uit het dodenrijk op, Ten leven uit het midden van die in het graf zijn gezonken.
3Éternel, mon Dieu! J’ai crié à toi, et tu m’as guéri.
4Jahweh’s vromen, zingt Hem een lied, En verheerlijkt zijn heilige Naam:
4Éternel! Tu as fait remonter mon âme du séjour des morts, Tu m’as fait revivre loin de ceux qui descendent dans la fosse.
5Want zijn toorn duurt maar een ogenblik, Zijn goedheid levenslang; ‘s Avonds komt er geween, Maar ‘s morgens is er weer vreugd.
5Chantez à l’Éternel, vous qui l’aimez, Célébrez par vos louanges sa sainteté!
6In zelfgenoegzaamheid had ik gezegd: “Nooit zal ik wankelen!”
6Car sa colère dure un instant, Mais sa grâce toute la vie; Le soir arrivent les pleurs, Et le matin l’allégresse.
7Neen, Jahweh, door uw goedheid alleen Hadt Gij kracht verleend aan mijn geest; Maar nauwelijks hadt Gij uw aanschijn verborgen, Of plotseling zonk ik ineen!
7Je disais dans ma sécurité: Je ne chancellerai jamais!
8Jahweh, toen riep ik U aan, En ik bad tot mijn Heer:
8Éternel! Par ta grâce tu avais affermi ma montagne… Tu cachas ta face, et je fus troublé.
9“Wat kan mijn verstomming U baten, En dat ik zink in het graf; Kan het stof U soms loven, En uw trouw nog verkonden?”
9Éternel! J’ai crié à toi, J’ai imploré l’Éternel:
10En Jahweh heeft het gehoord, en Zich mijner ontfermd; Jahweh heeft mij geholpen.
10Que gagnes-tu à verser mon sang, A me faire descendre dans la fosse? La poussière a-t-elle pour toi des louanges? Raconte-t-elle ta fidélité?
11Gij hebt mijn gejammer in een reidans veranderd, Mijn rouwkleed verscheurd, met vreugd mij omgord:
11Écoute, Éternel, aie pitié de moi! Éternel, secours-moi!
12Opdat mijn geest U zou prijzen, en nooit meer zou zwijgen, U eeuwig zou loven, o Jahweh, mijn God!
12Et tu as changé mes lamentations en allégresse, Tu as délié mon sac, et tu m’as ceint de joie,
no verse 13 in this text
13Afin que mon cœur te chante et ne soit pas muet. Éternel, mon Dieu! Je te louerai toujours.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.