Psalmen 30
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Een psalm. Een lied der tempelwijding. Van David. Ik wil U prijzen, o Jahweh; want Gij trokt mij omhoog, Opdat mijn vijanden niet over mij juichen.
1SIGNORE, io ti esalterò; perciocchè tu mi hai tratto ad alto, E non hai rallegrati di me i miei nemici.
2Ik riep tot U: “O Jahweh, mijn God!” En Gij hebt mij genezen, o Jahweh!
2Signore Iddio mio, Io ho gridato a te, e tu mi hai sanato.
3Gij trokt mij uit het dodenrijk op, Ten leven uit het midden van die in het graf zijn gezonken.
3Signore, tu hai fatta salir l'anima mia fuor del sepolcro; Tu mi hai salvata la vita, acciocchè io non iscendessi nella fossa.
4Jahweh’s vromen, zingt Hem een lied, En verheerlijkt zijn heilige Naam:
4Salmeggite al Signore voi suoi santi; E celebrate la memoria della sua santità.
5Want zijn toorn duurt maar een ogenblik, Zijn goedheid levenslang; ‘s Avonds komt er geween, Maar ‘s morgens is er weer vreugd.
5Perciocchè l'ira sua dura solo un momento; Ma la sua benevolenza dura tutta una vita; La sera appo noi alberga il pianto, Ma la mattina vi è giubilo.
6In zelfgenoegzaamheid had ik gezegd: “Nooit zal ik wankelen!”
6Quant'è a me, nella mia quiete, io diceva: Io non sarò giammai smosso.
7Neen, Jahweh, door uw goedheid alleen Hadt Gij kracht verleend aan mijn geest; Maar nauwelijks hadt Gij uw aanschijn verborgen, Of plotseling zonk ik ineen!
7Signore, tu avevi, per lo tuo favore, stanziata la fortezza nel mio monte; Ma tosto che tu hai nascosta la tua faccia, io sono stato smarrito.
8Jahweh, toen riep ik U aan, En ik bad tot mijn Heer:
8Io ho gridato a te, Signore, Ed ho supplicato al Signore,
9“Wat kan mijn verstomming U baten, En dat ik zink in het graf; Kan het stof U soms loven, En uw trouw nog verkonden?”
9Dicendo: Che utilità avrai nel mio sangue, Se io scendo nella fossa? La polvere ti celebrerà ella? Predicherà ella la tua verità?
10En Jahweh heeft het gehoord, en Zich mijner ontfermd; Jahweh heeft mij geholpen.
10Ascolta, Signore, ed abbi pietà di me; Signore, siimi in aiuto.
11Gij hebt mijn gejammer in een reidans veranderd, Mijn rouwkleed verscheurd, met vreugd mij omgord:
11Tu hai mutato il mio duolo in festa; Tu hai sciolto il mio cilicio, e mi hai cinto di allegrezza;
12Opdat mijn geest U zou prijzen, en nooit meer zou zwijgen, U eeuwig zou loven, o Jahweh, mijn God!
12Acciocchè la mia gloria ti salmeggi, e non si taccia. Signore Iddio mio, io ti celebrerò in eterno.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.