Psalmen
Chapter 18
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Voor muziekbegeleiding. Van den Dienaar van Jahweh; van David, die tot Jahweh de woorden van dit lied heeft gericht, toen Jahweh hem had verlost uit de hand van al zijn vijanden en ook uit de hand van Saul. En hij sprak: Ik heb U lief, o Jahweh, mijn kracht;
1O SIGNORE, mia forza, io ti amerò affettuosamente. Il Signore è la mia rocca, e la mia fortezza, e il mio liberatore, Il mio Dio, la mia rupe; io spererò in lui; Il mio scudo, e il corno della mia salute, il mio alto ricetto.
2Jahweh, mijn toevlucht, mijn burcht en mijn veste; Mijn God, mijn rots, waarop ik kan schuilen, Mijn schild, de hoorn van mijn heil, en mijn schutse.
2Io invocai il Signore, a cui si deve ogni lode; E fui salvato da' miei nemici.
3Ik roep: Geprezen zij Jahweh! En ben van mijn vijand verlost.
3Doglie di morte mi avevano circondato, E torrenti di scellerati mi avevano spaventato.
4De branding van de dood had mij al gegrepen, De golven der onderwereld sloegen over mij heen;
4Legami di sepolcro mi avevano intorniato, Lacci di morte mi avevano incontrato.
5De strikken van het dodenrijk hielden mij vast, De klemmen van de dood lagen voor mij gereed:
5Nella mia distretta io invocai il Signore, E gridai all'Iddio mio; Ed egli udì la mia voce dal suo Tempio, E il mio grido pervenne davanti a lui a' suoi orecchi.
6Maar ik riep tot Jahweh in mijn nood, En schreide om hulp tot mijn God. En Hij hoorde mijn stem in zijn vorstelijke woning, Mijn hulpgeroep drong door tot zijn oren:
6Allora la terra fu scossa, e tremò; E i fondamenti de' monti furono smossi E scrollati; perciocchè egli era acceso nell'ira.
7Daar schudde en beefde de aarde, Rilden en dreunden de fundamenten der bergen; Want Hij was in woede ontstoken,
7Un fumo gli saliva per le nari, Ed un fuoco consumante per la bocca; Da lui procedevano brace accese.
8Rook steeg op uit zijn neus, Verslindend vuur spoot uit zijn mond, En gloeiende kolen spatten er uit.
8Ed egli abbassò i cieli, e discese; E vi era una caligine sotto a' suoi piedi.
9Hij boog de hemel, en daalde neer, Grauwe wolken onder zijn voeten;
9E cavalcava sopra Cherubini, e volava; Ed era portato a volo sopra l'ale del vento.
10Hij besteeg den Cherub en vloog in het rond, Zwevend op de windewieken.
10Egli aveva poste delle tenebre per suo nascondimento; Egli avea d'intorno a sè il suo padiglione, Oscurità d'acque, nubi dell'aria.
11Hij sloeg de duisternis als een dek om Zich heen, Donkere nevels, dreigende wolken waren zijn tent;
11Le sue nubi si dileguarono per lo splendore che scoppiava davanti a lui, Con gragnuola e brace accese.
12En door de gloed, die voor Hem uitging, Braakten zijn wolken hagel en vurige kolen.
12E il Signore tuonò nel cielo, E l'Altissimo diede fuori la sua voce, Con gragnuola e brace accese.
13En in de hemel donderde Jahweh, Verhief de Allerhoogste zijn stem;
13Ed avventò le sue saette, e disperse coloro; Egli lanciò folgori, e li mise in rotta.
14Hij schoot zijn pijlen en strooide ze rond, Slingerde zijn bliksems, en joeg ze uiteen.
14E per lo tuo sgridare, o Signore, E per lo soffiar del vento delle tue nari, I canali delle acque apparvero, E i fondamenti del mondo furono scoperti.
15Open lag de bedding der zee, Het fundament van de aarde kwam bloot: Door uw dreigen, o Jahweh, Door het snuivend gebries van uw neus.
15Egli da alto distese la mano e mi prese, E mi trasse, fuori di grandi acque.
16Van boven boog Hij Zich neer, greep mij vast, En trok mij weg uit de onstuimige wateren;
16Egli mi riscosse dal mio potente nemico, E da quelli che mi odiavano; perciocchè erano più forti di me .
17Hij verloste mij van mijn grimmigen vijand En van mijn haters, want ze waren te machtig.
17Essi erano venuti incontro a me nel giorno della mia calamità; Ma il Signore fu il mio sostegno;
18Ze waren uitgetrokken op de dag van mijn rampspoed, Maar Jahweh was mijn beschermer;
18E mi trasse fuori al largo; Egli mi liberò, perciocchè egli mi gradisce.
19Hij beveiligde mij, En bracht mij redding, omdat Hij mij liefhad.
19Il Signore mi ha fatta retribuzione secondo la mia giustizia; Egli mi ha renduto secondo la purità delle mie mani;
20Toen werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, Mijn reinheid van handen vergolden:
20Perciocchè io ho osservate le vie del Signore, E non mi sono empiamente rivolto dall'Iddio mio;
21Want ik had de wegen van Jahweh bewandeld, Niet gezondigd tegen mijn God;
21Perciocchè io ho tenute davanti a me tutte le sue leggi, E non ho rimossi d'innanzi a me i suoi statuti.
22Ik had al zijn geboden voor ogen gehouden, Niet zijn wetten ontweken;
22E sono stato intiero inverso lui, E mi son guardato dalla mia iniquità.
23Ik was voor Hem zonder smet, Had mij zuiver van zonde bewaard;
23E il Signore mi ha renduto secondo la mia giustizia, Secondo la purità delle mie mani nel suo cospetto.
24Daarom werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, En mijn reinheid van handen in zijn ogen.
24Tu ti mostri pietoso inverso l' uomo pio, Intiero inverso l'uomo intiero.
25Want voor getrouwen toont Gij U trouw, Voor rechtschapenen rechtschapen;
25Tu ti mostri puro col puro, E procedi ritrosamente col perverso;
26Rein voor den reine, Maar voor de listigaards listig.
26Perciocchè tu sei quel che salvi la gente afflitta, Ed abbassi gli occhi altieri;
27Ja, Gij redt het deemoedige volk, Maar vernedert hovaardige blikken;
27Perciocchè tu sei quel che fai risplendere la mia lampana; Il Signore Iddio mio allumina le mie tenebre;
28Gij zijt, o Jahweh, mijn lamp, Mijn God, die licht in mijn duisternis straalt;
28Perciocchè per la tua virtù io rompo tutta una schiera; E per la virtù dell'Iddio mio salgo sopra il muro.
29Met U durf ik de stormloop beginnen, Met mijn God de wallen bespringen.
29La via di Dio è intiera; La parola del Signore è purgata col fuoco; Egli è lo scudo di tutti coloro che sperano in lui.
30God! Volmaakt zijn zijn wegen, Jahweh’s woord is gelouterd. Hij is voor allen een schild, Die vluchten tot Hem.
30Perciocchè chi è Dio, fuor che il Signore? E chi è Rocca, fuor che l'Iddio nostro?
31Wie toch is God, dan Jahweh alleen; Wie een rots, dan alleen onze God!
31Iddio è quel che mi cinge di prodezza, E che ha appianata la mia via.
32God! Hij omgordt mij met kracht, En baant mij een veilige weg;
32Egli rende i miei piedi simili a quelli delle cerve, E mi fa star ritto in su i miei alti luoghi.
33Hij maakt mijn voeten vlug als hinden, En doet mij de hoogste toppen beklimmen;
33Egli ammaestra le mie mani alla battaglia; E colle mie braccia un arco di rame è rotto.
34Hij oefent mijn handen ten strijde, Mijn armen tot het spannen van de koperen boog.
34Tu mi hai ancora dato lo scudo della tua salvezza; E la tua destra mi ha sostenuto, E la tua benignità mi ha accresciuto.
35Zo hebt Gij mij het schild van uw heil gereikt; Uw rechterhand heeft mij gestut, uw goedheid maakte mij groot.
35Tu hai allargati i miei passi sotto di me; E le mie calcagna non son vacillate.
36Gij hebt een weg voor mijn stappen gebaand, En mijn voeten wankelden niet.
36Io ho perseguitati i miei nemici, e li ho aggiunti; E non me ne son tornato indietro , finchè non li abbia distrutti.
37Ik vervolgde mijn vijanden, haalde ze in, En keerde niet terug, eer ik ze had verslagen;
37Io li ho rotti, e non son potuti risorgere; Mi son caduti sotto i piedi.
38Ik heb ze verpletterd, zodat ze niet opstaan, Maar onder mijn voet blijven liggen.
38E tu mi hai cinto di prodezza per la guerra; Ed hai abbattuti sotto di me quelli che si levavano contro a me.
39Gij hebt mij met kracht omgord tot de strijd, Mijn tegenstanders voor mij doen bukken;
39Ed hai fatto voltar le spalle a' miei nemici davanti a me; Ed io ho distrutti quelli che mi odiavano.
40Gij liet mij de rug van mijn vijanden zien, Mijn haters heb ik verdelgd.
40Essi gridarono, ma non vi fu chi li salvasse; Gridarono al Signore, ma egli non rispose loro.
41Nu huilen ze, maar niemand helpt: Tot Jahweh zelfs, maar Hij antwoordt hun niet;
41Ed io li ho tritati, come polvere esposta al vento; Io li ho spazzati via, come il fango delle strade.
42Ik vermaal ze als stof voor de wind, En vertrap ze als slijk op de straten.
42Tu mi hai scampato dalle brighe del popolo; Tu mi hai costituito capo di nazioni; Il popolo che io non conosceva mi è stato sottoposto.
43Gij hebt mij gered uit de strijd met de volkeren, En mij aan het hoofd van de naties gesteld:
43Al solo udir degli orecchi si son ridotti sotto la mia ubbidienza; Gli stranieri si sono infinti inverso me.
44Volkeren, die ik niet kende, werden mij dienstbaar, Vreemden brachten mij hulde; Nauwelijks hadden ze van mij gehoord, Of ze gehoorzaamden mij;
44Gli stranieri son divenuti fiacchi, Ed hanno tremato di paura, fin dentro a' lor ripari.
45Anderen lagen uitgeput neer, En kropen sidderend uit hun burchten.
45Viva il Signore, e benedetta sia la mia Rocca; E sia esaltato l'Iddio della mia salute;
46Leve Jahweh! Gezegend mijn Rots; Hoogverheven de God van mijn heil!
46Iddio che mi dà il modo di far le mie vendette, E che mi sottomette i popoli.
47Gij hebt mij gewroken, o God, Volkeren aan mij onderworpen;
47Che mi scampa da' miei nemici, Ed anche mi solleva d'infra quelli che mi assaltano, E mi riscuote dall'uomo violento.
48Mij van mijn grimmigen vijand verlost, Zege over mijn bestrijders verleend, mij van geweldenaars bevrijd!
48Perciò, o Signore, io ti celebrerò fra le genti, E salmeggerò al tuo Nome;
49Daarom wil ik U prijzen, o Jahweh, Uw Naam verheerlijken onder de volken!
49Il quale rende magnifiche le vittorie del suo re, Ed usa benignità inverso Davide suo unto, E inverso la sua progenie in perpetuo.
50Machtige hulp verleent Hij zijn Koning, En genade aan zijn Gezalfde: Aan David en zijn geslacht voor altijd!
no verse 50 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.