Psalmen
Chapter 140
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Red mij, Jahweh, uit de macht van de bozen, Behoed mij voor den man van geweld:
1RISCUOTIMI, o Signore, dall'uomo malvagio; Guardami dall'uomo violento;
2Die kwaad verzinnen in hun hart, Dag in, dag uit blijven twisten;
2I quali macchinano de' mali nel cuore, E tuttodì muovono guerre.
3Die scherpe tongen hebben als slangen, En adderengif op hun lippen.
3Aguzzano la lor lingua come il serpente; Veleno d'aspido è sotto alle lor labbra. (Sela.)
4Bescherm mij, Jahweh, tegen de macht van den boze, Behoed mij voor den man van geweld, Die mij de voet trachten te lichten,
4Preservami, o Signore, dalle mani dell'empio; Guardami dall'uomo violento; Che hanno macchinato di far cadere i miei piedi.
5Mij klemmen en strikken durven leggen, Netten spannen langs mijn weg, En een val voor mij zetten.
5I superbi mi hanno nascosto un laccio, e delle funi; Mi hanno tesa una rete sul sentiero; Mi hanno poste delle trappole. (Sela.)
6Ik zeg tot Jahweh: Gij zijt mijn God, Hoor naar mijn smeken, o Jahweh!
6Io ho detto al Signore: Tu sei il mio Dio; O Signore, porgi l'orecchio al grido delle mie supplicazioni.
7Jahweh, mijn Heer, Gij zijt mijn machtige Helper, Gij beschut mijn hoofd op de dag van de strijd.
7O Signore Iddio, che sei la forza della mia salute, Tu hai coperto il mio capo nel giorno dell'armi;
8Jahweh, laat de opzet der bozen niet slagen, Hun aanslag niet lukken.
8O Signore, non concedere agli empi ciò che desiderano; Non dar compimento a' lor disegni, onde s'innalzino. (Sela.)
9Laat mijn belagers hun hoofd niet verheffen, Maar de vloek van hun eigen lippen ze treffen;
9Fa 'che la perversità delle labbra Di coloro che m'intorniano copra loro la testa.
10Laat het vurige kolen op hen regenen, In kuilen hen vallen, waaruit ze niet opstaan.
10Caggiano loro addosso carboni accesi; Trabocchili Iddio nel fuoco. In fosse profonde, onde non possano risorgere.
11Moge de kwaadspreker geen voorspoed genieten op aarde, Maar onheil den geweldenaar meedogenloos vervolgen!
11Non sia l'uomo maldicente stabilito in terra; Il male cacci l'uomo violento in precipizii.
12Ik weet, dat Jahweh den ongelukkige recht zal verschaffen, En gerechtigheid aan de armen;
12Io so che il Signore farà ragione all'afflitto, E diritto a' poveri.
13Dan zullen de vromen uw Naam verheerlijken, De deugdzamen voor uw aangezicht wonen!
13Certo, i giusti celebreranno il tuo Nome; Gli uomini diritti abiteranno appresso alla tua faccia.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.