Psalmen 37
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Van David. Wees niet afgunstig op zondaars, En benijd de boosdoeners niet;
1NON crucciarti per cagion de' maligni; Non portare invidia a quelli che operano perversamente;
2Want snel versmachten zij als gras, Verkwijnen als het groen gewas.
2Perciocchè saran di subito ricisi come fieno, E si appasseranno come erbetta verde.
3Vertrouw op Jahweh, doe enkel wat goed is, Blijf in het land en wees trouw;
3Confidati nel Signore, e fa' bene; Tu abiterai nella terra, e vi pasturerai in confidanza.
4Dan zult gij uw vreugde in Jahweh vinden, En Hij schenkt u wat uw hart maar begeert.
4E prendi il tuo diletto nel Signore, Ed egli ti darà le domande del tuo cuore.
5Laat Jahweh uw weg maar bestieren, Verlaat u op Hem: Hij zal hem banen;
5Rimetti la tua via nel Signore; E confidati in lui, ed egli farà ciò che bisogna ;
6Als de dageraad doet Hij uw gerechtigheid stralen, En als de middagzon uw recht.
6E produrrà fuori la tua giustizia, come la luce; E la tua dirittura, come il mezzodì.
7Berust in Jahweh, En blijf op Hem hopen. Benijd niet den man, wien het goed gaat, Ofschoon hij bedriegt.
7Attendi il Signore in silenzio; Non crucciarti per colui che prospera nella sua via, Per l'uomo che opera scelleratezza.
8Word niet toornig en maak u niet boos, Wind u niet op: gij maakt het maar erger;
8Rimanti dell'ira, e lascia il cruccio; Non isdegnarti, sì veramente, che tu venga a far male.
9Want de zondaars worden vernietigd, Maar die op Jahweh vertrouwen, bezitten het Land!
9Perciocchè i maligni saranno sterminati; Ma coloro che sperano nel Signore possederanno la terra.
10Een ogenblik maar: en de zondaar is er niet meer; Gij zoekt naar zijn plaats: hij is weg.
10Fra breve spazio l'empio non sarà più ; E se tu poni mente al suo luogo, egli non vi sarà più .
11Maar de rechtschapenen bezitten het Land, En genieten een heerlijke vrede.
11Ma i mansueti possederanno la terra, E gioiranno in gran pace.
12De zondaar belaagt den rechtvaardige, En knarst tegen hem op zijn tanden;
12L'empio fa delle macchinazioni contro al giusto, E digrigna i denti contro a lui.
13Maar de Heer lacht hem uit, Want Hij ziet zijn Dag al nabij.
13Il Signore si riderà di lui; Perciocchè egli vede che il suo giorno viene.
14De bozen trekken hun zwaard en spannen hun boog, Om ongelukkigen en armen te doden, en vromen te slachten;
14Gli empi hanno tratta la spada, Ed hanno teso il loro arco, Per abbattere il povero afflitto ed il bisognoso; Per ammazzar quelli che camminano dirittamente.
15Maar het zwaard dringt in hun eigen hart, En hun bogen worden gebroken.
15La loro spada entrerà loro nel cuore, E gli archi loro saranno rotti.
16Beter het weinige, dat de rechtvaardige heeft, Dan de geweldige rijkdom der bozen;
16Meglio vale il poco del giusto, Che l'abbondanza di molti empi.
17Want de arm der bozen wordt gebroken, Maar voor de rechtvaardigen is Jahweh een stut.
17Perciocchè le braccia degli empi saranno rotte; Ma il Signore sostiene i giusti.
18Jahweh zorgt voor de dagen der vromen, En hun erfdeel blijft eeuwig bijeen;
18Il Signore conosce i giorni degli uomini intieri; E la loro eredità sarà in eterno.
19Ze staan niet verlegen in tijden van rampspoed, Maar worden verzadigd bij hongersnood.
19Essi non saran confusi nel tempo dell'avversità; E saranno saziati nel tempo della fame.
20Maar de goddelozen gaan zeker te gronde, En hun kinderen bedelen om brood; Jahweh’s vijanden vergaan als de glorie der velden, En verdwijnen als rook.
20Ma gli empi periranno; Ed i nemici del Signore, come grasso d'agnelli, Saranno consumati, e andranno in fumo.
21De boze moet lenen, en kan niet betalen, De gerechte kan mild zijn en geven;
21L'empio prende in prestanza, e non rende; Ma il giusto largisce, e dona.
22Want wien Hij zegent, bezit het Land, Maar wien Hij vervloekt, wordt vernietigd.
22Perciocchè i benedetti dal Signore erederanno la terra; Ma i maledetti da lui saranno sterminati.
23Jahweh leidt de schreden der mensen, Hij richt overeind, wiens gedrag Hem behaagt;
23I passi dell'uomo, la cui via il Signore gradisce, Son da lui addirizzati.
24En mocht hij al wankelen, toch zal hij niet vallen, Want Jahweh houdt hem bij de hand.
24Se cade, non è però atterrato; Perciocchè il Signore gli sostiene la mano.
25Ik was jong, en nu ben ik oud: Maar nooit heb ik een vrome verlaten gezien;
25Io sono stato fanciullo, e sono eziandio divenuto vecchio, E non ho veduto il giusto abbandonato, Nè la sua progenie accattare il pane.
26Steeds kan hij nog mild zijn en aan anderen lenen, Zijn nageslacht tot zegen zijn.
26Egli tuttodì dona e presta; E la sua progenie è in benedizione.
27Houd u ver van het kwaad, en doe enkel wat goed is, Dan woont gij veilig voor eeuwig;
27Ritratti dal male, e fa' il bene; E tu sarai stanziato in eterno.
28Want Jahweh heeft de gerechtigheid lief, En nimmer verlaat Hij zijn vromen. De bozen worden voor eeuwig vernietigd, En het geslacht van de zondaars vergaat;
28Perciocchè il Signore ama la dirittura, E non abbandonerà i suoi santi; Essi saranno conservati in eterno; Ma la progenie degli empi sarà sterminata.
29Maar de rechtvaardigen bezitten het Land, En blijven er altijd in wonen.
29I giusti erederanno la terra; Ed abiteranno in perpetuo sopra essa.
30De mond van den rechtvaardige verkondigt de wijsheid, En zijn tong spreekt wat recht is.
30La bocca del giusto risuona sapienza, E la sua lingua pronunzia dirittura.
31Hij draagt de Wet van zijn God in zijn hart; Nooit wankelen zijn schreden.
31La Legge dell'Iddio suo è nel suo cuore; I suoi passi non vacilleranno.
32De boze loert op den vrome, En zoekt hem te doden;
32L'empio spia il giusto, E cerca di ucciderlo.
33Maar Jahweh laat hem niet in zijn macht, En duldt geen veroordeling, als men hem richt.
33Il Signore non glielo lascerà nelle mani, E non permetterà che sia condannato, quando sarà giudicato.
34Blijf op Jahweh vertrouwen, En bewandel zijn wegen; Dan stelt Hij u in het bezit van het Land, En zult gij de verdelging der zondaars aanschouwen.
34Aspetta il Signore, e guarda la sua via, Ed egli t'innalzerà, acciocchè tu eredi la terra; Quando gli empi saranno sterminati, tu lo vedrai.
35Ik heb een zondaar gezien in zijn vermetele trots, Hoog als een Libanon-ceder;
35Io ho veduto l'empio possente, E che si distendeva come un verde lauro;
36Ik ging voorbij: zie, hij was er niet meer; Ik zocht hem, hij was niet te vinden.
36Ma egli è passato via; ed ecco, egli non è più ; Ed io l'ho cercato, e non si è ritrovato.
37Geef acht op den vrome en let op den brave: Het kroost van dien man leeft in vrede;
37Guarda l'integrità, e riguarda alla dirittura; Perciocchè vi è mercede per l'uomo di pace.
38Maar de zondaars gaan allen te gronde, De kinderen der bozen worden vernietigd.
38Ma i trasgressori saranno distrutti tutti quanti; Ogni mercede è ricisa agli empi.
39Jahweh is het heil van de vromen, Hun toevlucht in tijden van nood;
39Ma la salute de' giusti è dal Signore; Egli è la lor fortezza nel tempo dell'afflizione;
40Jahweh helpt en beschermt hen tegen de bozen, Hij redt hen, als ze vluchten tot Hem!
40Ed il Signore li aiuta e li libera; Li libera dagli empi, e li salva; Perciocchè hanno sperato in lui.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.