Psalmen
Chapter 88
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Een lied; een psalm van de zonen van Kore. Voor muziekbegeleiding; met de fluit. Een klaag- en leerdicht van Heman, den Ezrachiet. Jahweh, mijn God, overdag roep ik om hulp, En schrei des nachts voor uw aanschijn.
1O SIGNORE Iddio della mia salute, Io grido di giorno e di notte, nel tuo cospetto.
2Laat mijn gebed voor uw aangezicht dringen; Luister toch naar mijn klagen.
2Venga la mia orazione in tua presenza; Inchina il tuo orecchio al mio grido.
3Want mijn ziel is zat van ellende, Mijn leven het rijk der doden nabij;
3Perciocchè l'anima mia è sazia di mali; E la mia vita è giunta infino al sepolcro.
4Men telt mij bij hen, die ten grave dalen, Ik ben als een man, aan het eind van zijn kracht.
4Io son reputato del numero di quelli che scendono nella fossa; Io son simile ad un uomo che non ha più forza alcuna.
5Ik ben als de doden verstoten, Als lijken, die in het graf zijn gelegd: Aan wie Gij niet langer meer denkt, En die aan uw hand zijn onttrokken.
5Io sono spacciato fra i morti, Come gli uccisi che giacciono nella sepoltura, De' quali tu non ti ricordi più; E che son ricisi dalla tua mano.
6Gij hebt mij in de diepe grafkuil gestort, In duisternis en in de schaduw des doods;
6Tu mi hai posto in una fossa bassissima, In tenebre, in luoghi profondi.
7Uw toorn drukt zwaar op mij neer, Al uw golven slaan over mij heen.
7L'ira tua si è posata sopra me, E tu mi hai abbattuto con tutti i tuoi flutti. (Sela.)
8Gij hebt mijn vrienden van mij vervreemd, En ze van mij laten walgen; Ik zit in de knel, en kan er niet uit,
8Tu hai allontanati da me i miei conoscenti, Tu mi hai renduto loro grandemente abbominevole; Io son serrato, e non posso uscire.
9Mijn oog versmacht van ellende. De ganse dag, Jahweh, roep ik U aan, En strek mijn handen naar U uit:
9L'occhio mio è doglioso d'afflizione; O Signore, io grido a te tuttodì, Io spiego a te le palme delle mie mani.
10Of doet Gij aan de doden nog wonderen, Staan de schimmen soms op, om U te loven?
10Opererai tu alcuna maraviglia inverso i morti? I trapassati risorgeranno essi, per celebrarti? (Sela.)
11Zal men in het graf van uw goedheid gewagen, Van uw trouw in de afgrond;
11La tua benignità si narrerà ella nel sepolcro? E la tua verità nel luogo del la perdizione?
12Zal men in de duisternis uw wondermacht kennen, Uw gerechtigheid in het land van vergeten?
12Le tue maraviglie si conosceranno esse nelle tenebre? E la tua giustizia nella terra dell'obblio?
13Daarom, Jahweh, roep ik U aan, Treedt iedere morgen mijn bede U tegen.
13Ora quant'è a me, o Signore, io grido a te; E la mia orazione ti si fa incontro la mattina.
14Waarom zoudt Gij mij dan verstoten, o Jahweh, En mij uw aanschijn verbergen?
14Perchè scacci, o Signore, l'anima mia? Perchè nascondi il tuo volto da me?
15Van jongsaf ben ik in ellende en zorgen gedompeld, Ik ben radeloos onder de last van uw plagen;
15Io son povero, e vengo meno fin dalla mia giovanezza; Io porto i tuoi spaventi, e ne sto in forse.
16Uw gramschap slaat over mij heen, Uw verschrikkingen overstelpen mij.
16Le tue ire mi son passate addosso; I tuoi terrori mi hanno deserto;
17Als water omringen ze mij iedere dag, En sluiten mij helemaal in;
17Mi han circondato come acque tuttodì; Tutti quanti mi hanno intorniato.
18Gij hebt vrienden en makkers van mij vervreemd, En mijn bekenden door mijn ellende.
18Tu hai allontanati da me amici e compagni; I miei conoscenti son nascosti nelle tenebre.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.