Psalmen 102
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Gebed van een ongelukkige, als de moed hem ontzinkt, en hij voor Jahweh zijn jammerklacht uitstort. Jahweh, hoor mijn gebed, Mijn jammerklacht dringe tot U door!
1SIGNORE, ascolta la mia orazione, E venga il mio grido infino a te.
2Verberg voor mij uw aanschijn niet, Wanneer het mij bang wordt; Luister naar mij, als ik roep, En verhoor mij toch snel!
2Non nasconder la tua faccia da me; Nel giorno che io sono in distretta, inchina a me il tuo orecchio; Nel giorno che io grido, affrettati a rispondermi.
3Want als rook gaan mijn dagen voorbij; En mijn gebeente gloeit als een oven;
3Perciocchè i miei giorni son venuti meno come fumo, E le mie ossa sono arse come un tizzone.
4Mijn hart is verdroogd en verdord als het gras, Want ik denk er niet aan, mijn brood nog te eten;
4Il mio cuore è stato percosso come erba, Ed è seccato; Perciocchè io ho dimenticato di mangiare il mio pane.
5En door mijn klagen en kermen, Kleeft mijn gebeente aan mijn vlees.
5Le mie ossa sono attaccate alla mia carne, Per la voce de' miei gemiti.
6Ik ben als een pelikaan der woestijn, En als een uil tussen puinen;
6Io son divenuto simile al pellicano del deserto; E son come il gufo delle solitudini.
7Ik kan niet meer slapen, en zit maar te klagen, Als een eenzame mus op het dak.
7Io vegghio, e sono Come il passero solitario sopra il tetto. I miei nemici mi fanno vituperio tuttodì;
8Mijn vijanden houden niet op, mij te honen, En tegen mij te razen en te vloeken.
8Quelli che sono infuriati contro a me fanno delle esecrazioni di me.
9Ja, ik eet as als mijn brood, En met tranen meng ik mijn drank;
9Perciocchè io ho mangiata la cenere come pane, Ed ho temperata la mia bevanda con lagrime.
10Want Gij hebt om uw gramschap en toorn Mij opgenomen en weggeslingerd!
10Per la tua indegnazione, e per lo tuo cruccio; Perciocchè, avendomi levato ad alto, tu mi hai gettato a basso .
11Mijn dagen vlieden heen als een schaduw, Ik kwijn weg als het gras.
11I miei giorni son come l'ombra che dichina; Ed io son secco come erba.
12Maar Gij, Jahweh, blijft eeuwig, En uw Naam van geslacht tot geslacht!
12Ma tu, Signore, dimori in eterno E la tua memoria è per ogni età.
13Gij zult opstaan, en U over Sion ontfermen: Het is tijd, hem genadig te zijn; het uur is gekomen!
13Tu ti leverai, tu avrai compassione di Sion; Perciocchè egli è tempo di averne pietà; Perciocchè il termine è giunto.
14Want uw dienaars hebben zijn stenen lief, En hebben deernis met zijn puinen.
14Imperocchè i tuoi servitori hanno affezione alle pietre di essa, Ed hanno pietà della sua polvere.
15Dan zullen de heidenen de Naam van Jahweh vrezen, Alle vorsten der aarde uw majesteit:
15E le genti temeranno il Nome del Signore, E tutti i re della terra la tua gloria,
16Omdat Jahweh Sion herbouwt, En Zich openbaart in zijn glorie;
16Quando il Signore avrà riedificata Sion, Quando egli sarà apparito nella sua gloria,
17Zich tot de bede der verlatenen neigt, En hun gebed niet versmaadt!
17Ed avrà volto lo sguardo all'orazione de' desolati, E non avrà sprezzata la lor preghiera.
18Men schrijve dit op voor een volgend geslacht, Opdat het volk, door Jahweh herschapen, Hem zal prijzen:
18Ciò sarà scritto all'età a venire; E il popolo che sarà creato loderà il Signore.
19Als Jahweh weer neerziet Uit zijn heilige woning, En uit de hemel Weer neerblikt op aarde:
19Perciocchè egli avrà riguardato dall'alto luogo della sua santità; Perciocchè il Signore avrà mirato dal cielo verso la terra;
20Om het gekerm der gevangenen te horen, Te verlossen, die ten dode zijn gewijd;
20Per udire i gemiti de' prigioni; Per isciogliere quelli ch'erano condannati a morte;
21En om Jahweh’s Naam in Sion te melden, In Jerusalem zijn lof,
21Acciocchè si narri in Sion il Nome del Signore, E la sua lode in Gerusalemme.
22Wanneer de volkeren zich verzamelen, En de koninkrijken, om Jahweh te dienen!
22Quando i popoli e i regni saranno raunati insieme, Per servire al Signore.
23Wel heeft Hij midden op mijn weg mijn krachten gebroken, En mijn dagen verkort; maar toch blijf ik bidden:
23Egli ha tra via abbattute le mie forze; Egli ha scorciati i miei giorni.
24Mijn God, neem mij niet weg op de helft mijner dagen; Uw jaren duren van geslacht tot geslacht.
24Io dirò: O Dio mio, non farmi trapassare al mezzo de' miei dì; I tuoi anni durano per ogni età.
25In den beginne hebt Gij de aarde gegrond, En de hemelen zijn het werk uwer handen!
25Tu fondasti già la terra; E i cieli son l'opera delle tue mani;
26Zij zullen vergaan, maar Gij blijft; Als een kleed zullen zij allen verslijten.
26Queste cose periranno, ma tu dimorerai; Ed esse invecchieranno tutte, come un vestimento; Tu le muterai come una vesta, e trapasseranno.
27Gij verwisselt ze als een mantel, zij zullen verdwijnen; Maar Gij blijft dezelfde, en uw jaren nemen geen einde.
27Ma tu sei sempre lo stesso, E gli anni tuoi non finiranno giammai.
28Zo blijven ook de zonen uwer dienaars bestaan, En hun kroost houdt stand voor uw aanschijn!
28I figliuoli de' tuoi servitori abiteranno, E la progenie loro sarà stabilita nel tuo cospetto.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.