Psalmen 86
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Een gebed van David. Luister toch Jahweh, en wil mij verhoren, Want ik ben zo ellendig en arm.
1O SIGNORE, inchina l'orecchio tuo, e rispondimi; Perciocchè io sono afflitto e misero.
2Wees mijn behoeder, want ik ben uw vrome vereerder; Mijn God, kom uw dienaar te hulp, die op U hoopt.
2Guarda l'anima mia; perciocchè io mi studio a pietà; O tu, Dio mio, salva il tuo servitore che si confida in te.
3Ontferm U mijner, o Heer; Want ik roep tot U de ganse dag.
3O Signore, abbi pietà di me; Perciocchè io grido a te tuttodì.
4Stort vreugde in de ziel van uw dienaar, Want tot U verhef ik mijn geest, o mijn Heer;
4Rallegra l'anima del tuo servitore; Perciocchè io levo l'anima mia a te, o Signore.
5Want Gij, o Heer, zijt goed en barmhartig, Rijk aan genade voor al wie U aanroept.
5Perciocchè tu, Signore, sei buono e perdonatore; E di gran benignità inverso tutti quelli che t'invocano.
6Jahweh, hoor mijn gebed, zie neer op mijn smeken;
6O Signore, porgi gli orecchi alla mia orazione; E attendi al grido delle mie supplicazioni.
7Ik roep tot U op de dag van mijn nood, daar Gij mij verhoort!
7Io t'invoco nel giorno della mia distretta; Perciocchè tu mi risponderai.
8Heer, geen der goden komt U nabij, En niets gelijkt op uw werken!
8Non vi è niuno pari a te fra gl'iddii, o Signore; E non vi sono alcune opere pari alle tue.
9Alle volkeren, die Gij hebt geschapen, o Heer, Moeten U komen aanbidden en uw Naam verheerlijken!
9Tutte le genti le quali tu hai fatte, verranno, E adoreranno nel tuo cospetto, o Signore; E glorificheranno il tuo Nome.
10Want Gij zijt groot, Gij doet wonderen; Waarachtig, Gij alleen zijt God!
10Perciocchè tu sei grande, e facitore di maraviglie; Tu solo sei Dio.
11Jahweh, toon mij uw weg, opdat ik wandele in uw waarheid, Vervul enkel mijn hart van de vrees voor uw Naam;
11O Signore, insegnami la tua via, E fa' che io cammini nella tua verità; Unisci il mio cuore al timor del tuo nome.
12Dan zal ik U hartelijk danken, mijn Heer en mijn God, En uw Naam verheerlijken voor eeuwig!
12Io ti celebrerò, o Signore Iddio mio, con tutto il mio cuore; E glorificherò il tuo Nome in perpetuo.
13Want dan toont Gij mij uw grote ontferming, En redt Gij mij uit het diepst van de afgrond!
13Perciocchè la tua benignità è grande sopra me; E tu hai riscossa l'anima mia dal fondo del sepolcro.
14Mijn God, onbeschaamden staan tegen mij op, Een bende geweldenaars bedreigt mijn leven; Want ze houden U niet voor ogen!
14O Dio, uomini superbi si son levati contro a me; Ed una raunanza di violenti, I quali non ti pongono davanti agli occhi loro, Cercano l'anima mia.
15Maar Gij zijt een barmhartig en genadig God, o mijn Heer, Lankmoedig en rijk aan goedheid en trouw:
15Ma tu, Signore, sei l'Iddio misericordioso e pietoso, Lento all'ira, e di gran benignità e verità.
16Wend U tot mij, en wees mij genadig! Verleen uw dienaar bescherming, En red den zoon van uw dienstmaagd.
16Volgi la tua faccia verso me, ed abbi pietà di me; Da' la tua forza al tuo servitore, E salva il figliuolo della tua servente.
17Geef mij een teken van heil; Opdat mijn haters tot hun beschaming aanschouwen, Dat Gij het zijt, Jahweh, Die mij bijstaat en troost!
17Opera inverso me qualche miracolo in bene, Sì che quelli che mi odiano lo veggano, e sieno confusi; Perciocchè tu, Signore, mi avrai aiutato, e mi avrai consolato.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.