Psalmen
Chapter 107
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Brengt Jahweh dank, want Hij is goed, En zijn genade duurt eeuwig!
1CELEBRATE il Signore; perciocchè egli è buono. Perciocchè la sua benignità dura in eterno.
2Zo moeten getuigen, die door Jahweh verlost zijn, En door Hem uit de nood zijn gered;
2Così dicano quelli che sono stati riscattati dal Signore, I quali egli ha riscossi di distretta.
3Die Hij van alle kant hierheen heeft gebracht, Van oost en west, van noord en zuid.
3E li ha raccolti da' diversi paesi, Dal Levante e dal Ponente; dal Settentrione e dal mare.
4Sommigen doolden in woestijn en wildernis rond, Zonder de weg naar hun woonplaats te vinden;
4Essi andavano errando per deserti, per cammini di solitudine; Non trovavano città abitata.
5Ze leden honger en dorst, En hun leven verkwijnde.
5Erano affamati ed assetati; L'anima loro spasimava in loro.
6Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
6Ma, avendo gridato al Signore, mentre erano in distretta, Egli li ha tratti fuor delle loro angosce;
7Hij bracht ze weer op de veilige weg, Zodat ze hun woonplaats bereikten.
7E li ha condotti per diritto cammino, Per andare in città abitata.
8Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
8Celebrino adunque appo il Signore la sua benignità, E le sue maraviglie appo i figliuoli degli uomini.
9Want den dorstige heeft Hij gelaafd, Den hongerige heeft Hij verzadigd!
9Perciocchè egli ha saziata l'anima assetata, Ed ha empiuta di beni l'anima affamata.
10Anderen zaten in duister en donker, In ellende en boeien gekluisterd;
10Così dicano quelli che dimoravano in tenebre ed in ombra di morte, Prigioni, ritenuti in afflizione, e ne' ferri.
11Want ze hadden zich tegen Gods geboden verzet, En de vermaning van den Allerhoogste veracht;
11Perciocchè erano stati ribelli alle parole del Signore, Ed avevano sprezzato il consiglio dell'Altissimo;
12Zo was door rampspoed de moed hun ontzonken, En reddeloos stortten ze neer.
12Onde egli aveva abbattuto il cuor loro con affanni, Ed erano caduti; e non vi era alcuno che li soccorresse.
13Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
13Ma, avendo gridato al Signore, mentre erano in distretta, Egli li ha salvati dalle loro angosce;
14Hij haalde ze uit het duister en donker, En verbrak hun boeien.
14E li ha tratti fuor delle tenebre, e dell'ombra della morte; Ed ha rotti i lor legami.
15Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
15Celebrino adunque appo il Signore la sua benignità, E le sue maraviglie appo i figliuoli degli uomini.
16Want metalen poorten heeft Hij verbrijzeld, Ijzeren grendels in stukken geslagen!
16Perciocchè egli ha rotte le porte di rame, Ed ha spezzate le sbarre di ferro.
17Anderen werden ziek door hun zondige wandel, Hadden smarten te lijden om hun schuld;
17Così dicano gli stolti, ch 'erano afflitti per li lor misfatti, Ne' quali camminavano, e per le loro iniquità.
18Alle voedsel begon hun te walgen, En ze stonden al dicht bij de poorten des doods.
18La cui anima abbominava ogni cibo; Ed erano giunti fino alle porte della morte.
19Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten.
19Ma, avendo gridato al Signore, mentre erano in distretta, Egli li ha salvati dalle loro angosce.
20Hij sprak: en ze werden genezen, En Hij ontrukte hen weer aan het graf.
20Egli ha mandata la sua parola, e li ha sanati, E liberati dalle lor malattie mortali.
21Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
21Celebrino adunque appo il Signore la sua benignità, E le sue maraviglie appo i figliuoli degli uomini.
22Laat ze dankoffers brengen, En jubelend zijn werken vermelden!
22E sacrifichino sacrificii di lode, E raccontino le sue opere con giubilo.
23Anderen staken op schepen in zee, Om handel te drijven op de onmetelijke wateren.
23Così dicano quelli che scendono nel mare sopra navi, Che fanno traffico su per le grandi acque.
24Ook zij hebben Jahweh’s werken aanschouwd, In de kolken zijn wonderen.
24Essi veggono le opere del Signore, E le sue maraviglie nel profondo mare .
25Hij sprak: en er stak een stormwind op, Die zwiepte de golven omhoog;
25Perciocchè, alla sua parola, egli fa levare il vento di tempesta, Il quale alza le onde di esso.
26Ze vlogen op naar de hemel, ploften neer in de diepten, En vergingen van angst;
26Salgono al cielo, poi scendono agli abissi; L'anima loro si strugge di male.
27Ze rolden en tuimelden, als waren ze dronken, En al hun zeemanschap was tevergeefs.
27Saltano, e traballano come un ebbro; E perdono tutto il lor senno.
28Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
28Ma, gridando al Signore, mentre sono in distretta, Egli li trae fuor delle loro angosce.
29Hij bedaarde de storm tot een bries, En de golven legden zich neer;
29Egli acqueta la tempesta, E le onde loro si fermano.
30Wat waren ze blij, toen het kalm was geworden, En Hij hen naar de verbeide haven geleidde!
30Ed essi si rallegrano che sono acquetate; Ed egli li conduce al porto da loro desiderato.
31Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
31Celebrino adunque appo il Signore la sua benignità, E le sue maraviglie appo i figliuoli degli uomini.
32Hem in de volksgemeente roemen, Hem in de raad der oudsten prijzen!
32Ed esaltinlo nella raunanza del popolo, E laudinlo nel concistoro degli anziani.
33Rivieren maakt Hij tot steppe, Waterbronnen tot dorstige grond;
33Egli riduce i fiumi in deserto, E le vene delle acque in luoghi aridi;
34Vruchtbaar land tot zilte bodem, Om de boosheid van zijn bewoners.
34La terra fertile in salsuggine, Per la malvagità de' suoi abitanti.
35Maar van de steppe maakt Hij een vijver, Waterbronnen van het dorre land;
35Egli riduce i deserti in guazzi d'acque. E la terra arida in vene d'acque;
36Daar zet Hij de hongerigen neer, Om er zich een woonplaats te stichten.
36E fa quivi abitar gli affamati, I quali vi fondano città da abitare.
37Ze bezaaien hun akkers, beplanten hun gaarden, En oogsten hun vruchten.
37E seminano campi, e piantano vigne, Che producono rendita di frutto.
38Hij zegent hen: ze worden zeer talrijk, En Hij vermeerdert hun vee.
38Ed egli li benedice, e moltiplicano grandemente; Ed egli non iscema i lor bestiami.
39En nemen ze af in getal, en gaan ze ten onder Door verdrukking, ellende en jammer:
39Poi vengono al meno, e sono abbassati Per distretta, per avversità, e per affanni.
40Dan geeft Hij de tyrannen prijs aan de schande, En laat ze door de wildernis dolen.
40Egli spande lo sprezzo sopra i nobili, E li fa andare errando per luoghi deserti, ove non vi è via alcuna.
41Maar den arme heft Hij uit de ellende weer op, En maakt zijn geslacht weer talrijk als kudden:
41E innalza il bisognoso dalla miseria, E fa che le famiglie moltiplicano a guisa di gregge.
42De vromen zien het, en juichen; Maar wat boos is, zwijgt stil.
42Gli uomini diritti, veggendo queste cose , si rallegrano; Ma ogni iniquità si tura la bocca.
43Wie wijs is, neemt het ter harte, En beseft de goedheid van Jahweh!
43Chi è savio? osservi queste cose, E consideri le benignità del Signore.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.