Psalmen 91
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Wie onder de hoede van den Allerhoogste verblijft, En in de schaduw van den Almachtige woont,
1CHI dimora nel nascondimento dell'Altissimo, Alberga all'ombra dell'Onnipotente.
2Mag zeggen tot Jahweh: “Mijn toevlucht en sterkte, Mijn God, op wien ik vertrouw!”
2Io dirò al Signore: Tu sei il mio ricetto e la mia fortezza; Mio Dio, in cui mi confido.
3Want Hij behoedt u voor de strik van den jager, En voor de verraderlijke kuil;
3Certo egli ti riscoterà dal laccio dell'uccellatore, Dalla pestilenza mortifera.
4Hij zal met zijn vleugelen u dekken, En onder zijn wieken vindt gij een schuilplaats.
4Egli ti farà riparo colle sue penne, E tu ti ridurrai in salvo sotto alle sue ale; La sua verità ti sarà scudo e targa.
5Gij hebt de verschrikkingen van de nacht niet te vrezen, Geen pijl, die vliegt overdag;
5Tu non temerai di spavento notturno, Nè di saetta volante di giorno;
6Geen pest, die in de duisternis rondsluipt, Geen besmetting, die ‘s middags haar verwoestingen aanricht.
6Nè di pestilenza che vada attorno nelle tenebre; Nè di sterminio che distrugga in pien mezzodì.
7Al vallen er duizend aan uw zijde, Tienduizend aan uw rechterhand, U treffen ze niet; Zijn trouw is een schild en een pantser!
7Mille te ne caderanno al lato manco , E diecimila al destro; E pur quello non ti aggiungerà.
8Ja, met eigen ogen zult gij het zien, En de vergelding der bozen aanschouwen;
8Sol riguarderai con gli occhi, E vedrai la retribuzione degli empi,
9Want úw toevlucht is Jahweh, Den Allerhoogste hebt gij u tot beschermer gekozen.
9Perciocchè, o Signore, tu sei il mio ricetto; Tu hai costituito l'Altissimo per tuo abitacolo.
10Geen onheil zal u dus treffen, Geen plaag uw tenten bereiken;
10Male alcuno non ti avverrà, E piaga alcuna non si accosterà al tuo tabernacolo.
11Want Hij zal voor u zijn engelen ontbieden, Om u op al uw wegen te hoeden.
11Perciocchè egli comanderà a' suoi Angeli intorno a te, Che ti guardino in tutte le tue vie.
12Zij zullen u op de handen dragen, Opdat gij aan geen steen uw voeten zult stoten;
12Essi ti leveranno in palma di mano, Che talora il tuo piè non s'intoppi in alcuna pietra.
13Op slang en adder zult gij treden, Leeuwenwelp en draak vertrappen.
13Tu camminerai sopra il leone, e sopra l'aspido; Tu calcherai il leoncello e il dragone.
14“Omdat hij Mij liefheeft, zal Ik hem redden, En omdat hij mijn Naam kent, hem beschermen; Roept hij Mij aan, Dan antwoord Ik hem.”
14Perciocchè egli ha posta in me tutta la sua affezione, dice il Signore , io lo libererò; E lo leverò ad alto, perchè egli conosce il mio Nome.
15Ik zelf sta hem bij in de nood; Ik red hem en herstel hem in ere:
15Egli m'invocherà, e io gli risponderò; Io sarò con lui quando sarà in distretta; Io lo riscoterò e lo glorificherò.
16Lengte van dagen zal Ik hem schenken, En hem mijn heil doen aanschouwen!
16Io lo sazierò di lunga vita, E gli farò veder la mia salute.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.