Psalmen 103
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Van David. Loof Jahweh, mijn ziel, Heel mijn binnenste zijn heilige Naam;
1BENEDICI, anima mia, il Signore; E tutte le mie interiora benedite il Nome suo santo.
2Loof Jahweh, mijn ziel, En vergeet zijn talloze weldaden niet!
2Benedici, anima mia, il Signore, E non dimenticare alcuno dei suoi beneficii.
3Hij is het, die al uw zonden vergeeft, En al uw zwakheid geneest;
3Egli è quel che ti perdona tutte le tue iniquità; Che sana tutte le tue infermità;
4Die uw leven behoedt voor het graf, U kroont met genade en ontferming;
4Che riscuote dalla fossa la tua vita; Che ti corona di benignità e di compassioni;
5Die al uw verlangens bevredigt, En als een adelaar uw jeugd verjongt!
5Che sazia di beni la tua bocca; Che ti fa ringiovanire come l'aquila.
6Jahweh oefent gerechtigheid uit, Schaft recht aan alle verdrukten:
6Il Signore fa giustizia E ragione a tutti quelli che sono oppressati.
7Hij toonde Moses zijn wegen, Aan de kinderen van Israël zijn machtige werken!
7Egli ha fatte assapere a Mosè le sue vie, Ed a' figliuoli d'Israele le sue opere.
8Maar Jahweh is ook barmhartig en genadig, Lankmoedig en rijk aan ontferming:
8Il Signore è pietoso e clemente; Lento all'ira, e di gran benignità.
9Hij toornt niet voor immer, En wrokt niet voor eeuwig;
9Egli non contende in eterno; E non serba l'ira in perpetuo.
10Hij vergeldt ons niet naar onze zonden, En straft ons niet naar onze schuld.
10Egli non ci ha fatto secondo i nostri peccati; E non ci ha reso la retribuzione secondo le nostre iniquità.
11Neen, zo hoog als de hemel Zich boven de aarde verheft, Zo groot is zijn goedheid Voor hen, die Hem vrezen!
11Perciocchè, quanto sono alti i cieli sopra la terra, Tanto è grande la sua benignità inverso quelli che lo temono.
12Zo ver het oosten staat van het westen, Werpt Hij onze schuld van Zich af;
12Quant'è lontano il Levante dal Ponente, Tanto ha egli allontanati da noi i nostri misfatti.
13Zoals een vader zich over zijn kinderen ontfermt, Ontfermt Zich Jahweh over hen, die Hem vrezen:
13Come un padre è pietoso inverso i figliuoli, Così è il Signore pietoso inverso quelli che lo temono.
14Want Hij kent onze aard, En bedenkt, dat wij stof zijn.
14Perciocchè egli conosce la nostra natura; Egli si ricorda che noi siamo polvere.
15Als het gras zijn de dagen der mensen, Ze bloeien als een bloem op het veld:
15I giorni dell'uomo son come l'erba; Egli fiorisce come il fiore del campo.
16Waait er een wind overheen, ze is weg, En men weet niet meer, waar ze stond.
16Il quale , se un vento gli passa sopra, non è più; E il suo luogo non lo riconosce più.
17Maar van eeuwigheid is de goedheid van Jahweh, En tot in eeuwigheid blijft zij bestaan; Zijn barmhartigheid is voor hen, die Hem vrezen, En voor de kinderen van hun zonen:
17Ma la benignità del Signore è di secolo in secolo Sopra quelli che lo temono; E la sua giustizia sopra i figliuoli de' figliuoli,
18Voor hen, die zijn Verbond onderhouden, Zijn geboden gedenken en ze volbrengen.
18Di quelli che osservano il suo patto, E che si ricordano de' suoi comandamenti, per metterli in opera.
19In de hemel heeft Jahweh zijn troon opgeslagen, En zijn koningschap beheerst het heelal;
19Il Signore ha stabilito il suo trono ne' cieli; E il suo regno signoreggia per tutto.
20Jahweh’s engelen zingen Hem glorie, De sterke helden, die zijn geboden volbrengen, Die gehoorzamen aan zijn bevelen!
20Benedite il Signore, voi suoi Angeli, Possenti di forza, che fate ciò ch'egli dice, Ubbidendo alla voce della sua parola.
21Looft Jahweh dan, al zijn legerscharen, Zijn dienaars, die zijn wil volbrengt;
21Benedite il Signore, voi tutti gli eserciti suoi; Voi suoi ministri, che fate ciò che gli piace.
22Looft Jahweh, al zijn werken, In iedere plaats van zijn rijk; Loof Jahweh, mijn ziel!
22Benedite il Signore, voi tutte l'opere sue, In tutti i luoghi della sua signoria. Anima mia, benedici il Signore.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.