Psalmen 141
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Een psalm van David. Ik roep tot U, Jahweh; ach, snel mij te hulp, Hoor naar mijn klagen, wanneer ik U smeek;
1O SIGNORE, io t'invoco; affrettati a rispondermi ; Porgi l'orecchio alla mia voce, mentre io grido a te.
2Laat mijn gebed voor U als een reukoffer gelden, Mijn opgeheven handen als een avondoffer zijn.
2La mia orazione sia addirizzata al tuo cospetto, come l'incenso; E il mio alzar delle mani come l'offerta della sera.
3Jahweh, zet een wacht voor mijn mond, Een post voor de deur van mijn lippen;
3O Signore, poni guardia alla mia bocca; Guarda l'uscio delle mie labbra.
4Laat mijn hart zich naar het kwade niet neigen, Om slechte dingen te doen. Met zondaars zoek ik geen omgang, En van hun lekkernijen wil ik niet eten;
4Non lasciar che il mio cuore s'inchini a cosa alcuna malvagia, Per darmi a commettere opere empie, Con gli uomini operatori d'iniquità; E fa ' che io non mangi delle lor delizie.
5Maar de rechtvaardige, zelfs als hij slaat, is een zegen, En als hij mij tuchtigt, nog balsem op het hoofd. Mijn hoofd zal niet schudden, wanneer ze vermanen, En als ze kastijden, stijgt mijn gebed nog omhoog;
5Pestimi pure il giusto, ciò mi sarà benignità; E riprendami, ciò mi sarà olio eccellente, Il qual non mi fiaccherà il capo; Anzi più ch'egli lo farà , più pregherò per loro nelle loro avversità.
6En al word ik door mijn rechters gestenigd, Zij horen van mij enkel vriendelijke woorden.
6I rettori di costoro furono abbandonati dentro alla roccia, E pure udirono le mie parole ch'erano piacevoli.
7Als barsten en scheuren in de akker Liggen mijn beenderen verstrooid aan de rand van het graf:
7Le nostre ossa sono sparse su la bocca del sepolcro, Come quando altri spezza, e schianta legne per terra.
8Maar op U, Jahweh mijn Heer, blijven mijn ogen gericht, Tot U neem ik mijn toevlucht: giet mijn leven niet weg!
8Perciocchè, o Signore Iddio, gli occhi miei sono intenti a te, Ed io spero in te; non privar di riparo l'anima mia.
9Behoed mij voor het net, dat men mij heeft gespannen, En voor de strikken der zondaars;
9Guardami dal laccio che mi è stato teso, Dal le trappole degli operatori d'iniquità.
10Laat de bozen in hun eigen kuilen verzinken, Maar ìk er alleen aan ontsnappen!
10Caggiano gli empi nelle lor reti tutti quanti, Mentre io passerò oltre.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.