Psalmen 36
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Voor muziekbegeleiding. Van David, den dienaar van Jahweh. De zonde fluistert den boze haar inblazingen toe. In het diepst van zijn hart; Geen vreze Gods Staat hem voor ogen.
1IL misfatto dell'empio mi dice dentro al cuore, Ch'egli non ha timore alcuno di Dio davanti agli occhi.
2Want ze heeft hem met blindheid geslagen, Zodat hij zijn misdaad kent noch haat.
2Perciocchè egli si lusinga appo sè stesso, Per venire a capo della sua iniquità, che è pur da odiare.
3Het woord van zijn mond Is leugen en bedrog. Hij weigert, zich verstandig en goed te gedragen;
3Le parole della sua bocca sono iniquità e frode; Egli non ha più intelletto da far bene.
4Zelfs op zijn sponde bedenkt hij nog slechtheid. Het verkeerde pad gaat hij op, En wendt zich niet af van het kwaad.
4Egli divisa iniquità sopra il suo letto; Egli si ferma nella via che non è buona, Egli non abborre il male.
5Maar uw goedheid, o Jahweh, reikt tot de hemel, En tot aan de wolken uw trouw;
5O Signore, la tua benignità arriva infino al cielo, E la tua verità infino alle nuvole.
6Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Als de onmetelijke oceaan uw gericht. Mensen en dieren helpt Gij, o Jahweh;
6La tua giustizia è simile a monti altissimi; I tuoi giudicii sono un grande abisso. O Signore, tu conservi uomini e bestie.
7Hoe heerlijk is uw genade, o God! Daarom zoeken de kinderen der mensen Hun toevlucht in de schaduw uwer vleugelen;
7O Dio, quanto preziosa è la tua benignità! Perciò i figliuoli degli uomini si riducono sotto l'ombra delle tue ale;
8Zij verzadigen zich met het vet van uw woning, Gij laaft ze aan uw stroom van geneugten.
8Son saziati del grasso della tua Casa; Tu li abbeveri del torrente delle tue delizie.
9Want bij U is de bron van het leven, In ùw licht aanschouwen wij licht.
9Perciocchè appo te è la fonte della vita; E per la tua luce noi veggiamo la luce.
10Blijf uw goedertierenheid tonen aan hen, die U vrezen, Uw gerechtigheid aan de oprechten van hart;
10Stendi la tua benignità inverso quelli che ti conoscono, E la tua giustizia inverso quelli che son diritti di cuore.
11Laat geen trotse voet mij vertrappen, Geen goddeloze vuisten mij slaan.
11Non vengami addosso il piè del superbo; E la mano degli empi non mi smuova.
12Maar waar de zondaars vallen, Laat ze daar liggen, en nimmermeer opstaan.
12Ecco là, gli operatori d'iniquità son caduti; Sono stati sospinti, e non son potuti risorgere.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.