Psalmen 36
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Voor muziekbegeleiding. Van David, den dienaar van Jahweh. De zonde fluistert den boze haar inblazingen toe. In het diepst van zijn hart; Geen vreze Gods Staat hem voor ogen.
1Проводиреві хора: Псальма слуги Господнього Давида. Переступ беззаконника каже в серцї його: Нема страху Божого перед очима його.
2Want ze heeft hem met blindheid geslagen, Zodat hij zijn misdaad kent noch haat.
2Він бо лестить собі, сам перед собою, коли хто вкаже на його неправду, та що її ненавидїти треба.
3Het woord van zijn mond Is leugen en bedrog. Hij weigert, zich verstandig en goed te gedragen;
3Слова уст його беззаконнє і зрада, він перестав обертати розум на добре дїло.
4Zelfs op zijn sponde bedenkt hij nog slechtheid. Het verkeerde pad gaat hij op, En wendt zich niet af van het kwaad.
4Про беззаконнє промишляє він на постелї своїй, ступає на дорогу недобру; злом він не гидує.
5Maar uw goedheid, o Jahweh, reikt tot de hemel, En tot aan de wolken uw trouw;
5Господи, милість твоя сягає на небеса, вірність твоя під хмари.
6Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Als de onmetelijke oceaan uw gericht. Mensen en dieren helpt Gij, o Jahweh;
6Справедливість твоя, як високі гори, суди твої, як глибінь велика; ти, Господи, спасаєш людей і скотину.
7Hoe heerlijk is uw genade, o God! Daarom zoeken de kinderen der mensen Hun toevlucht in de schaduw uwer vleugelen;
7Як дорога благість твоя, о Боже, коли дїти людські сховку шукають у тїнї крил твоїх.
8Zij verzadigen zich met het vet van uw woning, Gij laaft ze aan uw stroom van geneugten.
8Поживляться до сита достатками дому твого, і струями солодощів твоїх напоїш їх.
9Want bij U is de bron van het leven, In ùw licht aanschouwen wij licht.
9Бо в тебе жерело життя; в твому сяєві побачимо сьвітло.
10Blijf uw goedertierenheid tonen aan hen, die U vrezen, Uw gerechtigheid aan de oprechten van hart;
10Продовжи ласку твою тим, що знають тебе, і справедливість твою над людьми правого серця.
11Laat geen trotse voet mij vertrappen, Geen goddeloze vuisten mij slaan.
11Не дай здогонити мене ногам високогордого, і рука безбожного нехай не прожене мене.
12Maar waar de zondaars vallen, Laat ze daar liggen, en nimmermeer opstaan.
12Там упали злочинники, вони провалились, і вже не зможуть встати.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.