Psalmen
Chapter 36
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Voor muziekbegeleiding. Van David, den dienaar van Jahweh. De zonde fluistert den boze haar inblazingen toe. In het diepst van zijn hart; Geen vreze Gods Staat hem voor ogen.
1Al Músico principal: Salmo de David, siervo del Señor. LA iniquidad del impío me dice al corazón: No hay temor de Dios delante de sus ojos.
2Want ze heeft hem met blindheid geslagen, Zodat hij zijn misdaad kent noch haat.
2Lisonjéase, por tanto, en sus propios ojos, hasta que su iniquidad sea hallada aborrecible.
3Het woord van zijn mond Is leugen en bedrog. Hij weigert, zich verstandig en goed te gedragen;
3Las palabras de su boca son iniquidad y fraude; no quiso entender para bien hacer.
4Zelfs op zijn sponde bedenkt hij nog slechtheid. Het verkeerde pad gaat hij op, En wendt zich niet af van het kwaad.
4Iniquidad piensa sobre su cama; está en camino no bueno, el mal no aborrece.
5Maar uw goedheid, o Jahweh, reikt tot de hemel, En tot aan de wolken uw trouw;
5Jehová, hasta los cielos es tu misericordia; tu verdad hasta las nubes.
6Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Als de onmetelijke oceaan uw gericht. Mensen en dieren helpt Gij, o Jahweh;
6Tu justicia como los montes de Dios, tus juicios abismo grande: oh Jehová, al hombre y al animal conservas.
7Hoe heerlijk is uw genade, o God! Daarom zoeken de kinderen der mensen Hun toevlucht in de schaduw uwer vleugelen;
7¡Cuán ilustre, oh Dios, es tu misericordia! Por eso los hijos de los hombres se amparan bajo la sombra de tus alas.
8Zij verzadigen zich met het vet van uw woning, Gij laaft ze aan uw stroom van geneugten.
8Embriagarse han de la grosura de tu casa; y tú los abrevarás del torrente de tus delicias.
9Want bij U is de bron van het leven, In ùw licht aanschouwen wij licht.
9Porque contigo está el manantial de la vida: en tu luz veremos la luz.
10Blijf uw goedertierenheid tonen aan hen, die U vrezen, Uw gerechtigheid aan de oprechten van hart;
10Extiende tu misericordia á los que te conocen, y tu justicia á los rectos de corazón.
11Laat geen trotse voet mij vertrappen, Geen goddeloze vuisten mij slaan.
11No venga contra mí pie de soberbia; y mano de impíos no me mueva.
12Maar waar de zondaars vallen, Laat ze daar liggen, en nimmermeer opstaan.
12Allí cayeron los obradores de iniquidad; fueron rempujados, y no pudieron levantarse.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.