Psalmen 77
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Voor muziekbegeleiding; voor Jedoetoen. Een psalm van Asaf. Luide roep ik tot Jahweh; Luide tot God, opdat Hij mij hore!
1Al Músico principal: para Jeduthún: Salmo de Asaph. CON mi voz clamé á Dios, á Dios clamé, y él me escuchará.
2Overdag zoek ik in mijn benauwdheid den Heer, ‘s Nachts strekken mijn handen zich uit, onvermoeid.
2Al Señor busqué en el día de mi angustia: mi mal corría de noche, y no cesaba: mi alma rehusaba consuelo.
3Mijn ziel weigert troost: denk ik aan God, ik moet kreunen; Peins ik na, mijn geest is verslagen.
3Acordábame de Dios, y gritaba: quejábame, y desmayaba mi espíritu. (Selah.)
4Ik kan mijn ogen niet sluiten, En van onrust niet spreken.
4Tenías los párpados de mis ojos: estaba yo quebrantado, y no hablaba.
5Ik denk aan de oude dagen terug, En herinner me weer de vroegere jaren;
5Consideraba los días desde el principio, los años de los siglos.
6Ik lig er ‘s nachts over te peinzen, Te klagen, en in mijn gedachten te tobben.
6Acordábame de mis canciones de noche; meditaba con mi corazón, y mi espíritu inquiría.
7Zou de Heer dan voor altijd verstoten, En nooit genadig meer zijn;
7¿Desechará el Señor para siempre, y no volverá más á amar?
8Zou zijn liefde voorgoed zijn verdwenen, Zijn belofte verbroken, die Hij deed van geslacht tot geslacht;
8¿Hase acabado para siempre su misericordia? ¿hase acabado la palabra suya para generación y generación?
9Zou God zijn vergeten, Zich te ontfermen, Of in zijn toorn zijn hart hebben gesloten?
9¿Ha olvidado Dios el tener misericordia? ¿ha encerrado con ira sus piedades? (Selah.)
10Maar ik sprak: Neen, dìt werp ik ver van mij af, Dat de hand van den Allerhoogste veranderd zou zijn!
10Y dije: Enfermedad mía es esta; traeré pues á la memoria los años de la diestra del Altísimo.
11Ik dacht dus aan uw daden, o Jahweh, Dacht terug aan uw vroegere wonderen;
11Acordaréme de las obras de JAH: sí, haré yo memoria de tus maravillas antiguas.
12Peinsde over al uw werken, Overwoog, wat door U is verricht.
12Y meditaré en todas tus obras, y hablaré de tus hechos.
13Ja, uw weg was heilig, o God; Welke God was ontzaglijk als Jahweh!
13Oh Dios, en santidad es tu camino: ¿qué Dios grande como el Dios nuestro?
14Gij waart de God, die wonderen wrochtte, En uw macht aan de heidenen toonde!
14Tú eres el Dios que hace maravillas: tú hiciste notoria en los pueblos tu fortaleza.
15Gij hebt door uw arm uw volk verlost, De zonen van Jakob en Josef!
15Con tu brazo redimiste á tu pueblo, á los hijos de Jacob y de José. (Selah.)
16De wateren zagen U, o God, De wateren zagen U en beefden, Zelfs de zeeën begonnen te rillen;
16Viéronte las aguas, oh Dios; viéronte las aguas, temieron; y temblaron los abismos.
17De wolken goten stromen neer, Het zwerk daverde en dreunde, Langs alle kant vlogen uw schichten rond.
17Las nubes echaron inundaciones de aguas; tronaron los cielos, y discurrieron tus rayos.
18Uw donder kraakte en rolde, Uw bliksems verlichtten de wereld, De aarde rilde en beefde!
18Anduvo en derredor el sonido de tus truenos; los relámpagos alumbraron el mundo; estremecióse y tembló la tierra.
19Uw weg liep midden door de zee, Uw pad door onstuimige wateren; Toch bleven uw sporen onzichtbaar!
19En la mar fué tu camino, y tus sendas en las muchas aguas; y tus pisadas no fueron conocidas.
20Zo hebt Gij uw volk als schapen geleid, Door de hand van Moses en Aäron!
20Condujiste á tu pueblo como ovejas, por mano de Moisés y de Aarón.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.