Psalmen 37
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Van David. Wees niet afgunstig op zondaars, En benijd de boosdoeners niet;
1Salmo de David. NO te impacientes á causa de los malignos, ni tengas envidia de los que hacen iniquidad.
2Want snel versmachten zij als gras, Verkwijnen als het groen gewas.
2Porque como hierba serán presto cortados, y decaerán como verdor de renuevo.
3Vertrouw op Jahweh, doe enkel wat goed is, Blijf in het land en wees trouw;
3Espera en Jehová, y haz bien; vivirás en la tierra, y en verdad serás alimentado.
4Dan zult gij uw vreugde in Jahweh vinden, En Hij schenkt u wat uw hart maar begeert.
4Pon asimismo tu delicia en Jehová, y él te dará las peticiones de tu corazón.
5Laat Jahweh uw weg maar bestieren, Verlaat u op Hem: Hij zal hem banen;
5Encomienda á Jehová tu camino, y espera en él; y él hará.
6Als de dageraad doet Hij uw gerechtigheid stralen, En als de middagzon uw recht.
6Y exhibirá tu justicia como la luz, y tus derechos como el medio día.
7Berust in Jahweh, En blijf op Hem hopen. Benijd niet den man, wien het goed gaat, Ofschoon hij bedriegt.
7Calla á Jehová, y espera en él: no te alteres con motivo del que prospera en su camino, por el hombre que hace maldades.
8Word niet toornig en maak u niet boos, Wind u niet op: gij maakt het maar erger;
8Déjate de la ira, y depón el enojo: no te excites en manera alguna á hacer lo malo.
9Want de zondaars worden vernietigd, Maar die op Jahweh vertrouwen, bezitten het Land!
9Porque los malignos serán talados, mas los que esperan en Jehová, ellos heredarán la tierra.
10Een ogenblik maar: en de zondaar is er niet meer; Gij zoekt naar zijn plaats: hij is weg.
10Pues de aquí á poco no será el malo: y contemplarás sobre su lugar, y no parecerá.
11Maar de rechtschapenen bezitten het Land, En genieten een heerlijke vrede.
11Pero los mansos heredarán la tierra, y se recrearán con abundancia de paz.
12De zondaar belaagt den rechtvaardige, En knarst tegen hem op zijn tanden;
12Maquina el impío contra el justo, y cruje sobre él sus dientes.
13Maar de Heer lacht hem uit, Want Hij ziet zijn Dag al nabij.
13El Señor se reirá de él; porque ve que viene su día.
14De bozen trekken hun zwaard en spannen hun boog, Om ongelukkigen en armen te doden, en vromen te slachten;
14Los impíos desenvainaron espada, y entesaron su arco, para derribar al pobre y al menesteroso, para matar á los de recto proceder.
15Maar het zwaard dringt in hun eigen hart, En hun bogen worden gebroken.
15La espada de ellos entrará en su mismo corazón, y su arco será quebrado.
16Beter het weinige, dat de rechtvaardige heeft, Dan de geweldige rijkdom der bozen;
16Mejor es lo poco del justo, que las riquezas de muchos pecadores.
17Want de arm der bozen wordt gebroken, Maar voor de rechtvaardigen is Jahweh een stut.
17Porque los brazos de los impíos serán quebrados: mas el que sostiene á los justos es Jehová.
18Jahweh zorgt voor de dagen der vromen, En hun erfdeel blijft eeuwig bijeen;
18Conoce Jehová los días de los perfectos: y la heredad de ellos será para siempre.
19Ze staan niet verlegen in tijden van rampspoed, Maar worden verzadigd bij hongersnood.
19No serán avergonzados en el mal tiempo; y en los días de hambre serán hartos.
20Maar de goddelozen gaan zeker te gronde, En hun kinderen bedelen om brood; Jahweh’s vijanden vergaan als de glorie der velden, En verdwijnen als rook.
20Mas los impíos perecerán, y los enemigos de Jehová como la grasa de los carneros serán consumidos: se disiparán como humo.
21De boze moet lenen, en kan niet betalen, De gerechte kan mild zijn en geven;
21El impío toma prestado, y no paga; mas el justo tiene misericordia, y da.
22Want wien Hij zegent, bezit het Land, Maar wien Hij vervloekt, wordt vernietigd.
22Porque los benditos de él heredarán la tierra; y los malditos de él serán talados.
23Jahweh leidt de schreden der mensen, Hij richt overeind, wiens gedrag Hem behaagt;
23Por Jehová son ordenados los pasos del hombre, y aprueba su camino.
24En mocht hij al wankelen, toch zal hij niet vallen, Want Jahweh houdt hem bij de hand.
24Cuando cayere, no quedará postrado; porque Jehová sostiene su mano.
25Ik was jong, en nu ben ik oud: Maar nooit heb ik een vrome verlaten gezien;
25Mozo fuí, y he envejecido, y no he visto justo desamparado, ni su simiente que mendigue pan.
26Steeds kan hij nog mild zijn en aan anderen lenen, Zijn nageslacht tot zegen zijn.
26En todo tiempo tiene misericordia, y presta; y su simiente es para bendición.
27Houd u ver van het kwaad, en doe enkel wat goed is, Dan woont gij veilig voor eeuwig;
27Apártate del mal, y haz el bien, y vivirás para siempre.
28Want Jahweh heeft de gerechtigheid lief, En nimmer verlaat Hij zijn vromen. De bozen worden voor eeuwig vernietigd, En het geslacht van de zondaars vergaat;
28Porque Jehová ama la rectitud, y no desampara sus santos: para siempre serán guardados; mas la simiente de los impíos será extirpada.
29Maar de rechtvaardigen bezitten het Land, En blijven er altijd in wonen.
29Los justos heredarán la tierra, y vivirán para siempre sobre ella.
30De mond van den rechtvaardige verkondigt de wijsheid, En zijn tong spreekt wat recht is.
30La boca del justo hablará sabiduría; y su lengua proferirá juicio.
31Hij draagt de Wet van zijn God in zijn hart; Nooit wankelen zijn schreden.
31La ley de su Dios está en su corazón; por tanto sus pasos no vacilarán.
32De boze loert op den vrome, En zoekt hem te doden;
32Acecha el impío al justo, y procura matarlo.
33Maar Jahweh laat hem niet in zijn macht, En duldt geen veroordeling, als men hem richt.
33Jehová no lo dejará en sus manos, ni lo condenará cuando le juzgaren.
34Blijf op Jahweh vertrouwen, En bewandel zijn wegen; Dan stelt Hij u in het bezit van het Land, En zult gij de verdelging der zondaars aanschouwen.
34Espera en Jehová, y guarda su camino, y él te ensalzará para heredar la tierra: cuando serán talados los pecadores, lo verás.
35Ik heb een zondaar gezien in zijn vermetele trots, Hoog als een Libanon-ceder;
35Vi yo al impío sumamente ensalzado, y que se extendía como un laurel verde.
36Ik ging voorbij: zie, hij was er niet meer; Ik zocht hem, hij was niet te vinden.
36Empero pasóse, y he aquí no parece; y busquélo, y no fué hallado.
37Geef acht op den vrome en let op den brave: Het kroost van dien man leeft in vrede;
37Considera al íntegro, y mira al justo: que la postrimería de cada uno de ellos es paz.
38Maar de zondaars gaan allen te gronde, De kinderen der bozen worden vernietigd.
38Mas los transgresores fueron todos á una destruídos: la postrimería de los impíos fué talada.
39Jahweh is het heil van de vromen, Hun toevlucht in tijden van nood;
39Pero la salvación de los justos es de Jehová, y él es su fortaleza en el tiempo de angustia.
40Jahweh helpt en beschermt hen tegen de bozen, Hij redt hen, als ze vluchten tot Hem!
40Y Jehová los ayudará, y los librará: y libertarálos de los impíos, y los salvará, por cuanto en él esperaron.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.