Psalmen 65
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David; een lied. U komt een lofzang toe In Sion, o God! U moet een dankoffer worden gebracht, In Jerusalem, Heer!
1Al Músico principal: Salmo: Cántico de David. A TI es plácida la alabanza en Sión, oh Dios: y á ti se pagarán los votos.
2Gij verhoort het gebed, Alle vlees komt tot U;
2Tú oyes la oración: á ti vendrá toda carne.
3En al drukt onze schuld ons nog zo zwaar, Gij vergeeft onze zonden.
3Palabras de iniquidades me sobrepujaron: mas nuestras rebeliones tú las perdonarás.
4Gelukkig, dien Gij uitverkiest en aanneemt, Om in uw voorhof te wonen: Die ons laven aan het goede van uw huis, Van uw heilige tempel!
4Dichoso el que tú escogieres, é hicieres llegar á ti , para que habite en tus atrios: seremos saciados del bien de tu casa, de tu santo templo.
5Met wonderen verhoort Gij ons in uw trouw, O God van ons heil; Gij, de hoop van alle grenzen der aarde, En ongenaakbare zeeën!
5Con tremendas cosas, en justicia, nos responderás tú, oh Dios de nuestra salud, esperanza de todos los términos de la tierra, y de los más remotos confines de la mar.
6Gij, die de bergen door uw kracht hebt gegrond, En met macht zijt omgord;
6Tú , el que afirma los montes con su potencia, ceñido de valentía:
7Die het bulderen der zeeën bedaart, En het gebruis van haar golven. Ontsteld staan de volken,
7El que amansa el estruendo de los mares, el estruendo de sus ondas, y el alboroto de las gentes.
8Vol vrees, die de grenzen der aarde bewonen: Voor uw tekenen daar, waar de morgen gloort, En waar Gij de avond doet juichen.
8Por tanto los habitadores de los fines de la tierra temen de tus maravillas. Tú haces alegrar las salidas de la mañana y de la tarde.
9Gij draagt zorg voor de aarde, En drenkt ze volop; Gij stort er een rijke zegen op uit, Gods vloed heeft altijd water genoeg. Gij maakt haar gereed voor haar koren, Zó maakt Gij ze klaar:
9Visitas la tierra, y la riegas: en gran manera la enriqueces con el río de Dios, lleno de aguas: preparas el grano de ellos, cuando así la dispones.
10Gij drenkt haar voren, bevochtigt haar kluiten, En maakt ze door regenslag week. Dan zegent Gij haar kiemen,
10Haces se empapen sus surcos, haces descender sus canales: ablándasla con lluvias, bendices sus renuevos.
11En zet de kroon op het jaar van uw goedheid: Uw voetstappen druipen van vet,
11Tú coronas el año de tus bienes; y tus nubes destilan grosura.
12Zelfs de vlakten der steppen druipen er van. De heuvels zijn met gejubel omgord,
12Destilan sobre las estancias del desierto; y los collados se ciñen de alegría.
13De weiden met kudden bekleed, De dalen met koren getooid: Ze juichen en zingen!
13Vístense los llanos de manadas, y los valles se cubren de grano: dan voces de júbilo, y aun cantan.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.