Psalmen 12
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Voor muziekbegeleiding; met bassen. Een psalm van David. Help toch Jahweh; want de trouw is verdwenen, De waarheid is zoek onder de kinderen der mensen.
1Al Músico principal: sobre Seminith: Salmo de David. SALVA, oh Jehová, porque se acabaron los misericordiosos: porque se han acabado los fieles de entre los hijos de los hombres.
2Men liegt elkander maar voor, Met valse harten, maar vleiende lippen.
2Mentira habla cada uno con su prójimo; con labios lisonjeros, con corazón doble hablan.
3Jahweh snijde al die vleiende lippen af, De verwaande tongen van allen die zeggen:
3Destruirá Jehová todos los labios lisonjeros, la lengua que habla grandezas;
4“Met onze tong zijn we sterk! We hebben onze lippen; wie kan ons aan!”
4Que dijeron: Por nuestra lengua prevaleceremos; nuestros labios están con nosotros: ¿quién nos es señor?
5Om de nood der verdrukten En het kermen der armen Ga Ik opstaan, zegt Jahweh, Om redding te brengen aan wie er naar smacht!
5Por la opresión de los pobres, por el gemido de los menesterosos, ahora me levantaré, dice Jehová: pondrélos en salvo del que contra ellos se engríe.
6Het woord van Jahweh Is zuiver als zilver, In een aarden smeltkroes gelouterd, Gereinigd tot zevenmaal toe.
6Las palabras de Jehová, palabras limpias; plata refinada en horno de tierra, purificada siete veces.
7Gij zult het gestand doen, o Jahweh, En ons altijd beschermen tegen dit ras:
7Tú, Jehová, los guardarás; guárdalos para siempre de aquesta generación.
8Al zijn de bozen nog zo verwaand, En de mensen nog zo gemeen!
8Cercando andan los malos, mientras son exaltados los más viles de los hijos de los hombres.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.