Psalmen 58
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Voor muziekbegeleiding; “Verderf niet.” Een puntdicht van David. Meent gij nu werkelijk recht te spreken, En met rechtvaardigheid de mensen te richten?
1Al Músico principal: sobre No destruyas: Michtam de David. OH congregación, ¿pronunciáis en verdad justicia? ¿juzgáis rectamente, hijos de los hombres?
2Neen, in uw hart pleegt gij onrecht, En uw handen banen de weg voor geweld in het land.
2Antes con el corazón obráis iniquidades: hacéis pesar la violencia de vuestras manos en la tierra.
3De schurken: ze zijn ontaard van hun moederschoot af; De leugenaars: sinds hun geboorte bedorven!
3Enajenáronse los impíos desde la matriz; descarriáronse desde el vientre, hablando mentira.
4Ze zijn venijnig als giftige adders; Ze stoppen hun oren als dove slangen,
4Veneno tienen semejante al veneno de la serpiente: son como áspide sordo que cierra su oído;
5Die niet luisteren naar de stem van bezweerders, En van bekwame belezers.
5Que no oye la voz de los que encantan, por más hábil que el encantador sea.
6O God, sla ze de tanden stuk in hun mond; Jahweh, ruk uit het gebit van dat broed!
6Oh Dios, quiebra sus dientes en sus bocas: quiebra, oh Jehová, las muelas de los leoncillos.
7Laat ze verdwijnen als wegzinkend water, Als gras langs de weg, dat verdort,
7Córranse como aguas que se van de suyo: en entesando sus saetas, luego sean hechas pedazos.
8Als een slak, die zich oplost in slijm, Als een misdracht, die het zonlicht niet ziet;
8Pasen ellos como el caracol que se deslíe: como el abortivo de mujer, no vean el sol.
9Voordat de doornen hun ketels verhitten: Onverbrand of verbrand, Hij vaagt ze weg.
9Antes que vuestras ollas sientan las espinas, así vivos, así airados, los arrebatará él con tempestad.
10De rechtvaardige zal zich verheugen, Als hij die wraak mag aanschouwen, En met zijn voeten plassen in het bloed van die schurken. En de mensen zullen dan zeggen:
10Alegraráse el justo cuando viere la venganza: sus pies lavará en la sangre del impío.
11“Toch heeft het zijn nut, rechtvaardig te zijn; Toch is er een God, die recht doet op aarde!”
11Entonces dirá el hombre: Ciertamente hay fruto para el justo; ciertamente hay Dios que juzga en la tierra.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.