Psalmen 72
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Van Salomon. Geef aan den Koning uw rechtsmacht, o God, En uw gerechtigheid aan den Zoon van den Koning;
1Para Salomón. OH Dios, da tus juicios al rey, y tu justicia al hijo del rey.
2Opdat Hij uw volk met rechtvaardigheid richte, En uw misdeelden volgens recht.
2El juzgará tu pueblo con justicia, y tus afligidos con juicio.
3De bergen zullen de vrede brengen, De heuvelen gerechtigheid voor het volk;
3Los montes llevarán paz al pueblo, y los collados justicia.
4Hij zal recht verschaffen aan het volk in verdrukking, De armen helpen, maar den verdrukker vertrappen.
4Juzgará los afligidos del pueblo, salvará los hijos del menesteroso, y quebrantará al violento.
5Hij zal leven, zolang de zon blijft stralen, Met de maan van geslacht tot geslacht;
5Temerte han mientras duren el sol y la luna, por generación de generaciones.
6Hij zal neerdalen als regen op de beemden, Als een bui, die de aarde besproeit.
6Descenderá como la lluvia sobre la hierba cortada; como el rocío que destila sobre la tierra.
7In zijn dagen zal de gerechtigheid bloeien, En een volheid van vrede, totdat de maan niet meer schijnt.
7Florecerá en sus días justicia, y muchedumbre de paz, hasta que no haya luna.
8Van zee tot zee zal Hij heersen, Van de Eufraat tot de grenzen der aarde.
8Y dominará de mar á mar, y desde el río hasta los cabos de la tierra.
9Zijn tegenstanders zullen de knie voor Hem buigen, Zijn vijanden in het stof moeten bijten;
9Delante de él se postrarán los Etiopes; y sus enemigos lamerán la tierra.
10De koningen van Tarsjisj en zijn kusten, Zullen Hem geschenken brengen. De koningen van Sjeba en Seba Zullen Hem hun schatting betalen;
10Los reyes de Tharsis y de las islas traerán presentes: los reyes de Sheba y de Seba ofrecerán dones.
11Alle vorsten Hem huldigen, Alle volken Hem dienen.
11Y arrodillarse han á él todos los reyes; le servirán todas las gentes.
12Want Hij zal den arme tegen den rijke beschermen, En den verdrukte, die geen helper meer heeft;
12Porque él librará al menesteroso que clamare, y al afligido que no tuviere quien le socorra.
13Zich over den zwakke en arme ontfermen, En uitkomst brengen aan de misdeelden.
13Tendrá misericordia del pobre y del menesteroso, y salvará las almas de los pobres.
14Hij zal ze verlossen van druk en geweld, En hun bloed zal kostbaar zijn in zijn ogen;
14De engaño y de violencia redimirá sus almas; y la sangre de ellos será preciosa en sus ojos.
15Hij zal ze doen leven, en het goud van Sjeba hun schenken, Steeds voor hen bidden, ze iedere dag zegenen.
15Y vivirá, y darásele del oro de Seba; y oraráse por él continuamente; todo el día se le bendecirá.
16Dan zal er een overvloed van koren zijn in het land, Het zal wuiven op de toppen der bergen; Zijn aren zullen als de Libanon bloeien, En de halmen als het kruid op het veld.
16Será echado un puño de grano en tierra, en las cumbres de los montes; su fruto hará ruido como el Líbano, y los de la ciudad florecerán como la hierba de la tierra.
17Zijn Naam zij voor eeuwig gezegend, Zolang de zon schijnt, heerse zijn Naam: Alle volkeren zullen zich daarmee zegenen, Alle geslachten der aarde hem loven!
17Será su nombre para siempre, perpetuaráse su nombre mientras el sol dure: y benditas serán en él todas las gentes: llamarlo han bienaventurado.
18Gezegend zij Jahweh, lsraëls God, Die wonderen doet, Hij alleen!
18Bendito Jehová Dios, el Dios de Israel, que solo hace maravillas.
19Gezegend voor eeuwig zijn heerlijke Naam, Heel de aarde worde vervuld van zijn glorie! Amen, Amen!
19Y bendito su nombre glorioso para siempre: y toda la tierra sea llena de su gloria. Amén y Amén.
20Einde der gebeden van David, den zoon van Jesse.
20Acábanse las oraciones de David, hijo de Isaí.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.