Psalmen
Chapter 81
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Voor muziekbegeleiding; op de gittiet. Van Asaf. Jubelt voor God, onze sterkte, Juicht den God van Jakob ter eer;
1Al Músico principal: sobre Gittith: Salmo de Asaph. CANTAD á Dios, fortaleza nuestra: al Dios de Jacob celebrad con júbilo.
2Stemt lofzangen aan, slaat de pauken, Met lieflijke citer en harp;
2Tomad la canción, y tañed el adufe, el arpa deliciosa con el salterio.
3Steekt deze maand de bazuinen, Bij volle maan voor de dag van ons feest!
3Tocad la trompeta en la nueva luna, en el día señalado, en el día de nuestra solemnidad.
4Want dit is een voorschrift aan Israël, En een bevel van Jakobs God:
4Porque estatuto es de Israel, ordenanza del Dios de Jacob.
5Een gebod, aan Josef gegeven, Na zijn tocht uit het land van Egypte, Toen hij een woord vernam, Dat hij nooit had gehoord:
5Por testimonio en José lo ha constituído, cuando salió por la tierra de Egipto; donde oí lenguaje que no entendía.
6Ik heb de last van uw schouders genomen, En uw handen werden van de draagkorf bevrijd.
6Aparté su hombro de debajo de la carga; sus manos se quitaron de vasijas de barro.
7Gij riept in de nood, En Ik heb u verlost, In donderwolken u verhoord, Bij de wateren van Meriba u beproefd.
7En la calamidad clamaste, y yo te libré: te respondí en el secreto del trueno; te probé sobre las aguas de Meriba. (Selah.)
8Hoor, mijn volk, Ik ga het u plechtig verkonden; Israël, ach, luister naar Mij:
8Oye, pueblo mío, y te protestaré. Israel, si me oyeres,
9Geen andere god mag er onder u zijn; Geen vreemden god moogt gij aanbidden!
9No habrá en ti dios ajeno, ni te encorvarás á dios extraño.
10Ik ben Jahweh, uw God, die u uit Egypte heb geleid, En die uw mond heb gevuld, toen hij wijd was geopend!
10Yo soy Jehová tu Dios, que te hice subir de la tierra de Egipto: ensancha tu boca, y henchirla he.
11Maar mijn volk luisterde niet naar mijn stem, En Israël gehoorzaamde niet;
11Mas mi pueblo no oyó mi voz, é Israel no me quiso á mí.
12Toen gaf ik ze prijs aan verstoktheid des harten, En iedereen ging zijn eigen weg.
12Dejélos por tanto á la dureza de su corazón: caminaron en sus consejos.
13Ach, had mijn volk naar Mij toch geluisterd, En Israël mijn wegen bewandeld!
13¡Oh, si me hubiera oído mi pueblo, si en mis caminos hubiera Israel andado!
14Hoe snel had Ik dan zijn vijand vernederd, Mijn hand op zijn verdrukkers doen komen;
14En una nada habría yo derribado sus enemigos, y vuelto mi mano sobre sus adversarios.
15Al hadden Jahweh’s haters Hem nog zo gevleid, Hun tijd was voor eeuwig gekomen!
15Los aborrecedores de Jehová se le hubieran sometido; y el tiempo de ellos fuera para siempre.
16Maar u zou Ik spijzen met de bloem van de tarwe, En verzadigen met honing uit de rotsen.
16Y Dios lo hubiera mantenido de grosura de trigo: y de miel de la piedra te hubiera saciado.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.