Psalmen 110
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Een psalm van David. Jahweh spreekt tot mijn Heer: “Zet U aan mijn rechterhand, Totdat Ik uw vijanden leg als een voetbank voor uw voeten!”
1Salmo de David. JEHOVÁ dijo á mi Señor: Siéntate á mi diestra, en tanto que pongo tus enemigos por estrado de tus pies.
2Jahweh zal U een machtige schepter verlenen: Treed uit Sion als Heerser te midden uwer vijanden!
2La vara de tu fortaleza enviará Jehová desde Sión: domina en medio de tus enemigos.
3Gij draagt de offers ten dage van uw mannelijke kracht, Zijt met de heilige gewaden bekleed Van de moederschoot af, Sinds de morgendauw uwer jeugd.
3Tu pueblo serálo de buena voluntad en el día de tu poder, en la hermosura de la santidad: desde el seno de la aurora, tienes tú el rocío de tu juventud.
4Jahweh heeft gezworen, en het zal Hem nimmer berouwen: “Gij zijt Priester voor eeuwig, zoals Melkisédek was!”
4Juró Jehová, y no se arrepentirá: Tú eres sacerdote para siempre según el orden de Melchîsedech.
5De Heer zal aan uw rechterhand blijven staan, En de vorsten vermorzelen op de dag van zijn toorn;
5El Señor á tu diestra herirá á los reyes en el día de su furor.
6Vol majesteit de volkeren richten, De koppen verpletteren tegen de grond!
6Juzgará en las gentes, llenará las de cadáveres: herirá las cabezas en muchas tierras.
7Maar U alleen zal Hij een kostbaar erfdeel schenken, En daarom fier uw hoofd verheffen!
7Del arroyo beberá en el camino: por lo cual levantará cabeza.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.