Psalmen
Chapter 73
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Psalm van Asaf. Waarachtig; God is goed voor den rechtvaardige, Jahweh voor de reinen van hart!
1Salmo de Asaph. CIERTAMENTE bueno es Dios á Israel, á los limpios de corazón.
2Toch waren haast mijn voeten gestruikeld, Mijn schreden bijna uitgegleden!
2Mas yo, casi se deslizaron mis pies; por poco resbalaron mis pasos.
3Want ik was jaloers op de bozen, Omdat ik de voorspoed der zondaars zag;
3Porque tuve envidia de los insensatos, viendo la prosperidad de los impíos.
4Voor hen toch bestaat er geen lijden, Gezond en vol kracht is hun lijf.
4Porque no hay ataduras para su muerte; antes su fortaleza está entera.
5Ze hebben geen zorgen als andere mensen, Worden niet als anderen geplaagd;
5No están ellos en el trabajo humano; ni son azotados con los otros hombres.
6Daarom hangen ze hoogmoed om als een keten, Bedekt hen geweld als een mantel.
6Por tanto soberbia los corona: cúbrense de vestido de violencia.
7De misdaad puilt uit hun vet, Hun hart loopt over van slechte gedachten;
7Sus ojos están salidos de gruesos: logran con creces los antojos del corazón.
8Ze honen en lasteren, En dreigen op hoge toon met geweld.
8Soltáronse, y hablan con maldad de hacer violencia; hablan con altanería.
9Ze zetten een mond op tegen de hemel, En hun tong gaat zich tegen de aarde te buiten.
9Ponen en el cielo su boca, y su lengua pasea la tierra.
10Daarom lopen de dwazen achter hen aan, En slurpen begerig hun woorden op.
10Por eso su pueblo vuelve aquí, y aguas de lleno les son exprimidas.
11Ze zeggen: “Hoe zou God er iets van weten, De Allerhoogste er kennis van hebben?”
11Y dicen: ¿Cómo sabe Dios? ¿y hay conocimiento en lo alto?
12Zie, zo gaat het de zondaars: Ze zijn altijd gelukkig, en hopen zich rijkdommen op!
12He aquí estos impíos, sin ser turbados del mundo, alcanzaron riquezas.
13Heb ik dan mijn hart vergeefs in reinheid bewaard, En mijn handen in onschuld gewassen:
13Verdaderamente en vano he limpiado mi corazón, y lavado mis manos en inocencia;
14De ganse dag word ik geplaagd, Iedere morgen opnieuw geslagen!
14Pues he sido azotado todo el día, y empezaba mi castigo por las mañanas.
15Dacht ik: Zo wil ik spreken! Dan brak ik de trouw van het geslacht uwer kinderen;
15Si dijera yo, Discurriré de esa suerte; he aquí habría negado la nación de tus hijos:
16Maar als ik ging peinzen, om het te vatten, Dan bleef het een raadsel in mijn oog.
16Pensaré pues para saber esto: es á mis ojos duro trabajo,
17Totdat ik in Gods raadsbesluiten drong, En op hun einde ging letten:
17Hasta que venido al santuario de Dios, entenderé la postrimería de ellos.
18Ja, Gij hebt ze op een glibberige bodem gezet, Ze gestort in hun eigen verderf!
18Ciertamente los has puesto en deslizaderos; en asolamientos los harás caer.
19Hoe zijn ze in een oogwenk vernietigd, Verdwenen, in verschrikkelijke rampen vergaan:
19¡Cómo han sido asolados! ¡cuán en un punto! Acabáronse, fenecieron con turbaciones.
20Heer, als een droom, die bij het ontwaken vervliegt, Wiens beeld we bij het opstaan verachten!
20Como sueño del que despierta, así, Señor, cuando despertares, menospreciarás sus apariencias.
21Als dus mijn hart nog verbitterd zou zijn, En mijn nieren bleven geprikkeld,
21Desazonóse á la verdad mi corazón, y en mis riñones sentía punzadas.
22Dan was ik een dwaas en een zot, Een stuk vee in uw oog.
22Mas yo era ignorante, y no entendía: era como una bestia acerca de ti.
23Want ik blijf altijd bij U, Gij houdt mij bij de rechterhand;
23Con todo, yo siempre estuve contigo: trabaste de mi mano derecha.
24Gij leidt mij naar uw raadsbesluit, En herstelt mij in ere!
24Hasme guiado según tu consejo, y después me recibirás en gloria.
25Wat heb ik toch in de hemel; Ook op aarde verlang ik niets buiten U!
25¿A quién tengo yo en los cielos? Y fuera de ti nada deseo en la tierra.
26Al bezwijken mijn vlees en mijn hart, God is voor eeuwig de Rots van mijn hart en mijn erfdeel.
26Mi carne y mi corazón desfallecen: mas la roca de mi corazón y mi porción es Dios para siempre.
27Maar die U verlaten, gaan zeker te gronde, Gij vernietigt wie van U afvalt;
27Porque he aquí, los que se alejan de ti perecerán: tú cortarás á todo aquel que fornicando, de ti se aparta .
28Doch mij is het goed, in Gods nabijheid te blijven, En mijn vertrouwen te stellen op Jahweh, mijn Heer!
28Y en cuanto á mí, el acercarme á Dios es el bien: he puesto en el Señor Jehová mi esperanza, para contar todas tus obras.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.