Psalmen 73
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Psalm van Asaf. Waarachtig; God is goed voor den rechtvaardige, Jahweh voor de reinen van hart!
1Συνέσεως τῷ Ἀσάφ. Ἱνατί ἀπόσω ὁ Θεὸς εἰς τέλος; ὠργίσθη ὁ θυμός σου ἐπὶ πρόβατα νομῆς σου;
2Toch waren haast mijn voeten gestruikeld, Mijn schreden bijna uitgegleden!
2Μνήσθητι τῆς συναγωγῆς σου ἧς ἐκτήσω ἀπʼ ἀρχῆς· ἐλυτρώσω ῥάβδον κληρονομίας σου· ὄρος Σιὼν τοῦτο ὃ κατεσκήνωσας ἐν αὐτῷ.
3Want ik was jaloers op de bozen, Omdat ik de voorspoed der zondaars zag;
3Ἔπαρον τὰς χεῖράς σου ἐπὶ τὰς ὑπερηφανίας αὐτῶν εἰς τέλος· ὅσα ἐπονηρεύσατο ὁ ἐχθρὸς ἐν τοῖς ἁγίοις σου.
4Voor hen toch bestaat er geen lijden, Gezond en vol kracht is hun lijf.
4Καὶ ἐνεκαυχήσαντο οἱ μισοῦντές σε ἐν μέσῳ τῆς ἑορτῆς σου·
5Ze hebben geen zorgen als andere mensen, Worden niet als anderen geplaagd;
5ἔθεντο τὰ σημεῖα αὐτῶν σημεῖα, καὶ οὐκ ἔγνωσαν, ὡς εἰς τὴν εἴσοδον ὑπεράνω· ὡς ἐν δρυμῷ ξύλων ἀξίναις ἐξέκοψαν
6Daarom hangen ze hoogmoed om als een keten, Bedekt hen geweld als een mantel.
6τὰς θύρας αὐτῆς ἐπιτοαυτὸ, ἐν πελέκει καὶ λαξευτηρίῳ κατέῤῥαξαν αὐτήν.
7De misdaad puilt uit hun vet, Hun hart loopt over van slechte gedachten;
7Ἐνεπύρισαν ἐν πυρὶ τὸ ἁγιαστήριόν σου εἰς τὴν γῆν, ἐβεβήλωσαν τὸ σκήνωμα τοῦ ὀνόματός σου.
8Ze honen en lasteren, En dreigen op hoge toon met geweld.
8Εἶπαν ἐν τῇ καρδίᾳ αὐτῶν, ἡ συγγένεια αὐτῶν ἐπιτοαυτὸ, δεῦτε, καταπαύσωμεν τὰς ἑορτὰς Κυρίου ἀπὸ τῆς γῆς.
9Ze zetten een mond op tegen de hemel, En hun tong gaat zich tegen de aarde te buiten.
9Τὰ σημεῖα ἡμῶν οὐκ εἴδομεν, οὐκ ἔστιν ἔτι προφήτης, καὶ ἡμᾶς οὐ γνώσεται ἔτι.
10Daarom lopen de dwazen achter hen aan, En slurpen begerig hun woorden op.
10Ἕως πότε ὁ Θεὸς, ὀνειδιεῖ ὁ ἐχθρὸς, παροξυνεῖ ὁ ὑπεναντίος τὸ ὄνομά σου εἰς τέλος;
11Ze zeggen: “Hoe zou God er iets van weten, De Allerhoogste er kennis van hebben?”
11Ἱνατί ἀποστρέφεις τὴν χεῖρά σου, καὶ τὴν δεξιάν σου ἐκ μέσου τοῦ κόλπου σου εἰς τέλος;
12Zie, zo gaat het de zondaars: Ze zijn altijd gelukkig, en hopen zich rijkdommen op!
12Ὁ δὲ Θεὸς βασιλεὺς ἡμῶν πρὸ αἰῶνος, εἰργάσατο σωτηρίαν ἐν μέσῳ τῆς γῆς.
13Heb ik dan mijn hart vergeefs in reinheid bewaard, En mijn handen in onschuld gewassen:
13Σὺ ἐκραταίωσας ἐν τῇ δυνάμει σου τὴν θάλασσαν, σὺ συνέτριψας τὰς κεφαλὰς τῶν δρακόντων ἐπὶ τοῦ ὕδατος. Σὺ συνέτριψας τὰς κεφαλὰς τοῦ δράκοντος,
14De ganse dag word ik geplaagd, Iedere morgen opnieuw geslagen!
14ἔδωκας αὐτὸν βρῶμα λαοῖς τοῖς Αἰθίοψι.
15Dacht ik: Zo wil ik spreken! Dan brak ik de trouw van het geslacht uwer kinderen;
15Σὺ διέῤῥηξας πηγὰς καὶ χειμάῤῥους, σὺ ἐξήρανας ποταμοὺς ἠθάμ.
16Maar als ik ging peinzen, om het te vatten, Dan bleef het een raadsel in mijn oog.
16Σή ἐστιν ἡ ἡμέρα, καὶ σή ἐστιν ἡ νὺξ, σὺ κατηρτίσω ἥλιον καὶ σελήνην.
17Totdat ik in Gods raadsbesluiten drong, En op hun einde ging letten:
17Σὺ ἐποίησας πάντα τὰ ὅρια τῆς γῆς, θέρος καὶ ἔαρ σὺ ἐποίησας.
18Ja, Gij hebt ze op een glibberige bodem gezet, Ze gestort in hun eigen verderf!
18Μνήσθητι ταύτης τῆς κτίσεώς σου· ἐχθρὸς ὠνείδισε τὸν Κύριον, καὶ λαὸς ἄφρων παρώξυνε τὸ ὄνομά σου.
19Hoe zijn ze in een oogwenk vernietigd, Verdwenen, in verschrikkelijke rampen vergaan:
19Μὴ παραδῷς τοῖς θηρίοις ψυχὴν ἐξομολογουμένην σοι, τῶν ψυχῶν τῶν πενήτων σου μὴ ἐπιλάθῃ εἰς τέλος.
20Heer, als een droom, die bij het ontwaken vervliegt, Wiens beeld we bij het opstaan verachten!
20Ἐπίβλεψον εἰς τὴν διαθήκην σου, ὅτι ἐπληρωθήσαν οἱ ἐσκοτωμένοι τῆς γῆς οἴκων ἀνομιῶν.
21Als dus mijn hart nog verbitterd zou zijn, En mijn nieren bleven geprikkeld,
21Μὴ ἀποστραφήτω τεταπεινωμένος καὶ κατῃσχυμμένος, πτωχὸς καὶ πένης αἰνέσουσι τὸ ὄνομά σου.
22Dan was ik een dwaas en een zot, Een stuk vee in uw oog.
22Ἀνάστα ὁ Θεὸς, δίκασον τὴν δίκην σου, μνήσθητι τῶν ὀνειδισμῶν σου τῶν ὑπὸ ἄφρονος ὅλην τὴν ἡμέραν.
23Want ik blijf altijd bij U, Gij houdt mij bij de rechterhand;
23Μὴ ἐπιλάθῃ τῆς φωνῆς τῶν ἱκετῶν σου, ἡ ὑπερηφανία τῶν μισούντων σε ἀναβαίη διαπαντὸς πρὸς σέ.
24Gij leidt mij naar uw raadsbesluit, En herstelt mij in ere!
no verse 24 in this text
25Wat heb ik toch in de hemel; Ook op aarde verlang ik niets buiten U!
no verse 25 in this text
26Al bezwijken mijn vlees en mijn hart, God is voor eeuwig de Rots van mijn hart en mijn erfdeel.
no verse 26 in this text
27Maar die U verlaten, gaan zeker te gronde, Gij vernietigt wie van U afvalt;
no verse 27 in this text
28Doch mij is het goed, in Gods nabijheid te blijven, En mijn vertrouwen te stellen op Jahweh, mijn Heer!
no verse 28 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.