Psalmen 104
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Halleluja! Loof Jahweh, mijn ziel: Jahweh, mijn God, hoog zijt Gij verheven! Gij hebt U met glorie en luister omkleed,
1Благослови Господа, душе моя! Господи, Боже мій, дивно ти великий, ти зодягнувся величчєм і красою;
2En hult U in het licht als een mantel; Gij spant de hemelen uit als een tent,
2Ти сьвітлом, як шатою, покрився, розіпняв небеса, як плахту наметну;
3En legt op de wateren uw opperzalen. Gij maakt van de wolken uw wagen, Zweeft op de vleugels van de wind;
3Поставив двори свої над водами, обертаєш хмари на колесницю для себе, ти несешся на крилах вітру;
4Stelt de stormen aan tot uw boden, Laaiend vuur tot uw knechten.
4Ангели твої в тебе послами, слуги твої — огонь пожираючий.
5Gij hebt de aarde op haar pijlers gegrond, Zodat ze voor eeuwig niet wankelt.
5Він утвердив землю на підвалинах її; вона не захитається по віки;
6De Oceaan bedekte haar als een kleed, Nog boven de bergen stonden de wateren:
6Безоднями покрив її, як одежою, води стояли понад горами.
7Maar ze namen de vlucht voor uw dreigen, Rilden van angst voor de stem van uw donder;
7Перед грозою твоєю погнались, перед голосом грому твого помчались далеко.
8Toen rezen de bergen, en zonken de dalen Op de plaats, die Gij hun hadt bestemd.
8Гори піднялися, долини спустились до місця, котре призначив для них.
9Gij hebt ze grenzen gesteld, die ze niet overschreden, Ze mochten niet meer de aarde bedekken;
9Визначив їм гряницю, і не перейдуть її; не вернуться назад, покрити землю.
10Gij zendt de bronnen in de dalen, En tussen de bergen stromen ze voort;
10Із жерел посилаєш у долини потоки: шумлять вони проміж горами;
11Ze laven al de wilde dieren, En de woudezel lest er zijn dorst;
11Напувають всю зьвірину з поля; дикі ослята гасять смагу свою;
12Daar nestelen de vogels uit de lucht, En fluiten er tussen de struiken.
12Над ними кублиться небесне птаство, між віттєм голос їх роздається.
13Uit uw zalen drenkt Gij de bergen, Door het sap van uw nevel wordt de aarde verzadigd;
13Ти напуваєш гори з висоти твоєї; земля насичується плодом творива твого.
14Gij laat voor het vee het gras ontspruiten, En het groen voor wat de mensen dient. Gij roept het graan uit de aarde te voorschijn,
14Ти кажеш рости траві для скота і зеленинї на вжиток людям: щоб хлїба достачити із землї,
15En de wijn, die het hart van de mensen verheugt; Olie, om het gelaat te doen glanzen, Brood, dat het hart van de mensen verkwikt.
15І вино, щоб веселило серце чоловіка; щоб міг оливою лице намастити, і щоб хлїб покріпив серце чоловіка.
16Jahweh’s bomen drinken zich vol, De Libanon-ceders, die Hij heeft geplant:
16Насичаються дерева Божі, кедри Ливанські, що посадив їх,
17Waar de vogels zich nestelen, In wier toppen de ooievaar woont.
17На них гнїздиться птаство; на кипарисах бузько знайшов собі домівку.
18De hoogste bergen zijn voor de gemzen, De klippen een schuilplaats voor bokken.
18Високі гори для козлів диких, скелї — сховиско лисицям.
19Gij schiept de maan, om de tijd te bepalen, De zon weet, wanneer ze onder moet gaan.
19Він сотворив місяць, щоб часи значити; сонце знає, коли заходити.
20Maakt Gij het donker, dan wordt het nacht, En sluipen de wilde beesten rond,
20Ти розкинеш темряву, і ніч настала; тодї ворушиться вся зьвірина лїсна;
21Brullen de leeuwen om buit, En vragen God om hun voedsel.
21Молоді леви ричать за здобичею, і щоб жадати поживи для себе від Бога.
22De zon gaat op: ze kruipen weg, En leggen zich neer in hun holen;
22Зійде сонце, вони вертають назад і в своїх норах лягають.
23Maar de mens tijgt aan zijn werk, En aan zijn arbeid tot aan de avond.
23Чоловік виходить до свого дїла, і до своєї працї аж до вечора.
24Hoe ontzaglijk zijn uw werken, o Jahweh: Gij hebt ze allen met wijsheid gewrocht! De aarde is vol van uw schepselen,
24Як багато, Господи, творива твого! Все премудростю сотворив єси, земля повна багацтва твого.
25Niet minder de zee; Die is groot en geweldig, En het wemelt daarin zonder tal: Beesten, kleine en grote,
25Те море, велике і на всї сторони широке: там ворушиться безлїч зьвірини, малої і великої.
26Monsters trekken er door, Liwjatan dien Gij hebt geschapen, Om er mede te spelen.
26Там судна дорогу верстають, за ними кит, котрого сотворив єси, щоб там побивався.
27Allen zien naar U uit, Om voedsel, elk op zijn tijd.
27Всї вони тебе дожидають, щоб їжу їх у свій час дав їм.
28Geeft Gij het: ze eten het op; Gij opent uw hand: ze worden van het goede verzadigd.
28Ти даєш їм, вони збирають; ти відчиняєш руку твою, вони добром насичаються.
29Maar verbergt Gij uw aanschijn: Ze verstarren van schrik; Gij ontneemt hun de adem: Ze sterven en keren terug tot hun stof.
29Ти одвертаєш лице твоє, вони лякаються; возьмеш духи їх, вони, визївнувши, у порох повертаються.
30Maar Gij zendt weer uw geest: en ze worden geschapen, En Gij vernieuwt het aanschijn der aarde!
30Пішлеш твого духа, будуть сотворені, та й обновиш лице землї.
31Eeuwig dure de glorie van Jahweh, En blijve Jahweh Zich in zijn werken verheugen;
31Слава Господня буде по віки, Господь буде радїти творивом своїм;
32Hij, die de aarde beziet: en ze beeft; Die de bergen aanraakt: ze roken!
32Він погляне на землю, і вона тремтить; доторкнеться гір, і вони димують.
33Heel mijn leven zal ik zingen voor Jahweh, Mijn God blijven loven, zolang ik besta!
33Сьпівати му Господеві, поки життя мого, сьпівати му псальми Богові мому, як довго життя стане.
34Moge mijn zang Hèm behagen, En ìk mij in Jahweh verblijden;
34Нехай буде люба йому думка моя, і звеселюся в Господї.
35Maar mogen de zondaars van de aarde verdwijnen, En de goddelozen niet blijven bestaan! Loof Jahweh, mijn ziel!
35Нехай счезнуть грішники із землї, і беззаконних нехай не буде. Благослови, душе моя, Господа! Аллилуя!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.