Psalmen
Chapter 17
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Gebed van David. Jahweh, hoor naar de stem van het recht, Luister naar mijn smeken; Verhoor mijn gebed, Van eerlijke lippen gevloeid.
1Молитва Давидова. Вислухай, Господи, правду, почуй голосїннє моє; почуй молитву мою з уст нельживих.
2Van uw aanschijn gaat mijn oordeel uit, Uw ogen zien scherp;
2Від лиця твого нехай вийде правда моя; очи твої нехай споглянуть на правоту.
3Gij peilt mijn hart, doorzoekt het des nachts, Beproeft mij: maar iets verkeerds vindt Gij niet.
3Ти випробував серце моє, вислїдив мене вночі; ти переглянув — і не знайшов нїчого; думки мої не розходяться з устами моїми.
4Ik overtrad uw gebod niet, zoals de mensen dat doen, Maar volbracht het bevel uwer lippen;
4В дїлах людських, по слову уст твоїх, я сохранив себе від дороги гнобителя.
5Op het pad uwer wetten heb ik mijn schreden gezet, Mijn voet heeft nooit op uw wegen gewankeld.
5Держи шаги мої на дорогах твоїх, щоб не спотикнулись ноги мої.
6Nu roep ik tot U; want Gij zult mij verhoren, o God; Luister naar mij, en hoor naar mijn smeken!
6До тебе взиваю, бо ти вислухаєш мене, о Боже; нахили ухо твоє до мене, почуй слова мої.
7Doe wonderen van goedheid, o Redder van die op U hopen, En die op uw rechterhand steunen.
7Яви дивную милість твою, ти бо спасаєш правицею твоєю від противників уповаючих на тебе.
8Behoed mij als de appel van uw oog, Verberg mij in de schaduw uwer vleugelen:
8Сохрани мене, як зїницю ока; в тїни крил твоїх стережи мене
9Voor de bozen, die mij bespringen, Voor mijn vijanden, die mij woedend omringen.
9Від безбожників нападаючих на мене, від ворогів душі моєї, що кругом обступили мене.
10Ze hebben hun hart met vet afgesloten, En blijven zwetsen met hun mond;
10Серце їх в товщі їх сховалось, устами своїми згорда промовляють.
11Ze omsingelen mij, waar ik ook ga, Loerend, om mij ter aarde te werpen.
11Де не ступиш, всюди нас обступили; витріщили очі свої на нас, щоб повалити нас на землю.
12Ze zijn als een leeuw, die hunkert naar buit, Als een leeuwenwelp, dat in hinderlaag ligt.
12Вони, як лев той, що добичі шукає, і як левчук, що в закутку притаївся.
13Op, Jahweh, hem tegemoet, stort hem neer, En red mijn ziel van den boze!
13Встань, Господи, попереди їх, кинь їх на землю! Спаси душу мою від нечестивого мечем твоїм,
14Uw zwaard moge ze doden, Jahweh, uw hand ze van de aarde verdelgen! Dit zij hun deel in het leven; En hebt Gij nog meer, vul er hun buik mee; Laat hun zonen er zich aan vergasten, En de rest aan hun kinderen vermaken.
14Від людей рукою твоєю, Господи, від людей сьвіта сього. Доля їх у сьому життю, черево їх ти скарбом твоїм сповняєш; сини їх ситі, а наддостаток свій лишать дїтям своїм.
15Maar laat mij door mijn gerechtigheid uw aanschijn aanschouwen, Mij aan uw glorie verzadigen na het ontwaken!
15А я в правдї дивити мусь на лице твоє: пробудившись, буду образом твоїм насищатись.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.