Psalmen 147
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Halleluja! Looft Jahweh: want het is goed, Hem te prijzen, Onzen God: want het is lieflijk en schoon, Hem te roemen!
1LODATE il Signore; Perciocchè egli è cosa buona e dilettevole di salmeggiar l'Iddio nostro; La lode è decevole.
2Jahweh bouwt Jerusalem weer op, En brengt de verstrooiden van Israël bijeen.
2Il Signore è quel ch'edifica Gerusalemme; Egli raccoglierà i dispersi d'Israele.
3Hij is het, die de gebroken harten geneest, En hun wonden verbindt;
3Egli è quel che guarisce quelli che hanno il cuor rotto, E fascia le lor doglie;
4Die het getal van de sterren bepaalt, En ze allen roept bij haar naam.
4Che conta il numero delle stelle; Che le chiama tutte per li nomi loro .
5Groot is onze Heer, geweldig zijn macht, Zijn wijsheid oneindig;
5Il nostro Signore è grande, e di gran forza; La sua intelligenza è infinita.
6Jahweh richt de nederigen op, Maar de bozen werpt Hij ter aarde.
6Il Signore solleva i mansueti; Ed abbatte gli empi fino a terra.
7Heft Jahweh een jubelzang aan Speelt op de citer voor onzen God:
7Cantate al Signore con lode; Salmeggiate colla cetera all'Iddio nostro;
8Die de hemel met wolken bedekt, En de regen bereidt voor de aarde. Die op de bergen gras doet ontspruiten, En groen voor de beesten, die den mens moeten dienen;
8Il qual copre il cielo di nuvole, Ed apparecchia la pioggia alla terra, E fa che i monti producono l'erba.
9Die aan het vee zijn voedsel geeft, En aan de jonge raven, die er om roepen.
9Che dà la sua pastura al bestiame. A' figli de' corvi, che gridano.
10Hij vindt geen vreugde in de sterkte der paarden, Hem verheugen geen krachtige schenkels;
10Egli non si compiace nella forza del cavallo; Egli non gradisce le gambe dell'uomo.
11Maar Jahweh heeft behagen in hen, die Hem vrezen, En die smachten naar zijn genade!
11Il Signore gradisce quelli che lo temono, Quelli che sperano nella sua benignità.
12Breng Jahweh lof, Jerusalem; Sion, loof uw God!
12Gerusalemme, celebra il Signore; Sion, loda il tuo Dio.
13Want Hij heeft de grendels van uw poorten versterkt, Uw zonen binnen uw muren gezegend,
13Perciocchè egli rinforza le sbarre delle tue porte; Egli benedice i tuoi figliuoli in mezzo di te.
14De vrede aan uw grenzen geschonken, U met de bloem der tarwe verzadigd.
14Egli è quel che mantiene il tuo paese in pace; Che ti sazia di grascia di frumento;
15Hij is het, die de aarde zijn bevelen stuurt, En haastig rept zich zijn woord:
15Che manda il suo dire in terra; E la sua parola corre velocissimamente;
16Die sneeuw als wolvlokken zendt, Zijn ijzel rondstrooit als as.
16Che manda la neve a guisa di lana; Che sparge la brina a guisa di cenere;
17Hij werpt zijn hagel bij brokken, En voor zijn koude stollen de wateren;
17Che getta il suo ghiaccio come per pezzi; E chi potrà durar davanti al suo freddo?
18Maar Hij stuurt zijn bevel, en ze smelten: Zijn winden waaien, weer stromen de wateren.
18Egli manda la sua parola, e fa struggere quelle cose; Egli fa soffiare il suo vento, è le acque corrono.
19Hij maakte Jakob zijn geboden bekend, Israël zijn bevelen en wetten:
19Egli annunzia le sue parole a Giacobbe; I suoi statuti e le sue leggi ad Israele.
20Zo deed Hij voor geen ander volk, Nooit heeft Hij hùn zijn wetten geleerd! Halleluja!
20Egli non ha fatto così a tutte le genti; Ed esse non conoscono le sue leggi. Alleluia.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.